| 34554 |
kalkoen |
kalkoen:
kalkūn (L295p Baarlo)
|
Zie afbeelding 11. [R 14, 3; S 16; L 1a-m; L 1, 113; L 17, 11; L B2, 305; A 6, 3a; A 6, 3b; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 18838 |
kalm, bedaard |
bezadigd:
(zelden gebezigd).
bezadigd (L295p Baarlo),
kalm:
kalm (L295p Baarlo)
|
bezadigd [SGV (1914)] || kalm [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 23308 |
kalot |
kalotje (<fr.):
kelotje (L295p Baarlo)
|
kalot, kruinmutsje voor priesters {afb} [plekkertje, klets, kelotje, kadots] [N 25 (1964)]
III-3-3
|
| 34170 |
kalven |
kalven:
kalvǝ (L295p Baarlo)
|
Een kalf ter wereld brengen, gezegd van de koe. [JG 1a, 1b; N 3A, 46; S 16; L 1a-m; monogr.]
I-11
|
| 34224 |
kalverjuk |
haam:
hām (L295p Baarlo),
juk:
jøk (L295p Baarlo)
|
Driehoekig raam om de nek van een kalf. [N 3A, 14f]
I-11
|
| 33351 |
kalverstal |
kalverstal:
kalǝvǝr[stal] (L295p Baarlo)
|
De stal of de ruimte in de koestal waar de kalveren staan. Meestal is er geen afzonderlijke ruimte als kalverstal; de kalveren staan in een hoek van de koestal en deze hoek voor de kalveren wordt "kalverstal" genoemd. Vandaar dat n.a.v. de vraag "kalverstal" voor L 213, 248, 298, 381b, 386, Q 1, 113 en 202 koestal en voor L 270, 312, Q 34 en 102 stal werd opgegeven. Er zijn voor de kalverstal ook wel benamingen in gebruik, waaruit de leeftijd van de kalveren spreekt. Voor opgaven die een voor een kalf bestemde kist, bak, kooi e.d. betreffen, zie men het lemma "kalverhokje, kalverbak" (2.2.4). Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). Zie ook de plattegronden in paragraaf 1.2. [A 10, 9b; L 38, 25; monogr.; add. uit N 5A, 45a en 47b]
I-6
|
| 18725 |
kam |
kam:
kamp (L295p Baarlo, ...
L295p Baarlo),
toe ich ⁄t we-oe keime ging miene kamp kepot (L295p Baarlo),
toe ich ⁄t woei keime ging miene kamp kapot (L295p Baarlo)
|
kam [SGV (1914)] || Kam. Toen ik ’t wou kammen ging mijn kam stuk. [DC 39 (1965)] || Min of meer getande, rode, vlezige uitwas op de kop van kippen. [A 39, 3c; monogr.]
I-12, III-1-3
|
| 18564 |
kamerjas |
kamerjas:
kamerjas (L295p Baarlo)
|
kamerjas [sjamberloe] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 22487 |
kamerschieten |
kattenkoppen afschieten:
katteköp aafsjete (L295p Baarlo)
|
Het gebruik om tijdens het rekken van de processie donderbussen af te schieten [kamere aafsjisse]. [N 96C (1989)]
III-3-2
|
| 23003 |
kamerschieten add. |
kattenkop:
Toen de jongens uit het toenmalige Indië terugkeerden werd er van blijdschap door de buurt met de kattekop geschoten. Dit gebeurde ook bij bruiloften.
kattekop (L295p Baarlo)
|
Soort donderbus.
III-3-2
|