| 17946 |
met grote stappen lopen |
grote passen maken:
groete passe (L295p Baarlo),
treden:
trééje (L295p Baarlo)
|
stappen, grote ~ maken [stuppen] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 34140 |
met opgeheven staart rondlopen |
biezen:
bizǝ (L295p Baarlo),
bēzǝ (L295p Baarlo)
|
[N 3A, 9a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 19062 |
met tegenzin |
tegen wil en dank:
tegen wil en dank (L295p Baarlo)
|
tegen heug en meug [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 25101 |
met tussenpozen regenen |
bijzen:
bieze (L295p Baarlo),
biëze (L295p Baarlo)
|
regenen bij tussenpozen [buien, sjoelen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 32803 |
met vollen eggen |
met twee vollen [eggen]:
met twiǝ vǫlǝ (L295p Baarlo),
met vollen [eggen]:
męt ˲vǫlǝ (L295p Baarlo),
met één vol [eggen]:
met˱ ęi̯n vǫl (L295p Baarlo)
|
Manier van eggen waarbij men na het keren de volgende egbaan niet meteen bij de vorige laat aansluiten. Men laat tussen de baan die op de heenweg geëgd werd, en de baan die men op de terugweg trekt, telkens een strook ongeëgd liggen. Die strook kan in breedte variëren. Op de volgende heenweg wordt die strook of een deel daarvan "vol" geëgd. Op de volgende terugweg laat men dan weer een strook onbewerkt. Men kan telkens één "vol" laten liggen, maar ook twee of meer; zie de afb. 74, 75 en 76. Er wordt a.h.w. in spiraalachtige ronden geëgd. Dit doet men vooral om op de einden van de akker ruimer en sneller te kunnen draaien. Het paard hoeft dan minder stappen te zetten en de eg hoeft daarbij niet omgelegd of omgetrokken te worden. Voor het werkwoordelijk deel van de meeste termen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting op het lemma ''eggen''.' [JG 1a + 1b + 1c + 2c; N 11, 83; N 11A, 176b; monogr.]
I-2
|
| 33047 |
metalen deel van de mathaak |
pik:
pek (L295p Baarlo)
|
De licht gebogen ijzeren tand van de mathaak. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). [N 18, 72b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-4
|
| 34369 |
metalen scheplepel |
voerschotel:
vōršotǝl (L295p Baarlo),
vōršø̜tǝl (L295p Baarlo)
|
Lepel van metaal om varkensvoer mee op te scheppen. [N 18, 132; monogr.]
I-12
|
| 32892 |
metalen tongetjes |
memmen:
męmǝ(n) (L295p Baarlo)
|
De onregelmatigheden aan de snijkant van de zeis, uitstulpingen in de vorm van metalen tongetjes of lipjes, die kunnen ontstaan bij ondeskundig haren. Het lemma bevat meervouden en enkelvouden. [N 18, 90; monogr.]
I-3
|
| 18379 |
metalen uiteinde van een schoenveter |
tipje:
tuupke (L295p Baarlo)
|
metalen uiteinde van een schoenveter [malie] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29920 |
metselaar |
metselaar:
mɛtsǝlē̜r (L295p Baarlo)
|
Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld]
II-9
|