| 30313 |
raamvleugel |
raam:
rām (L295p Baarlo)
|
Het draaiend deel van een raam. In L 270 bestond in oudere huizen een raam uit twee gedeelten. Het bovenstuk van zo'n raam kon naar binnen worden opengeklapt. Men noemde dit het 'bovenlicht' ('bǭvǝlēx'). Zie ook het lemma 'Bovenlicht'. [N 55, 40b; A 46, 10b; monogr.]
II-9
|
| 19057 |
raar, vreemd |
vreemd:
vrèmp (L295p Baarlo),
vrêmd (L295p Baarlo)
|
01; vreemd [SGV (1914)] || vreemd: Hoe luidt in uw dialect het woord - [DC 19 (1951)]
III-1-4
|
| 28447 |
raat |
raat:
roǝt (L295p Baarlo)
|
Een raat is een schijf gevormd door twee lagen met de rug tegen elkaar liggende zeszijdige cellen. Ze wordt door de bijen gemaakt voor het opkweken van de larven en voor het opbergen van honing in de winter. Het bouwsel is van was. [N 63, 13a; L 1a-m; S 3; A 25, 10; JG 1a+1b; JG 2b-5, 3; Ge 37, 53; monogr.]
II-6
|
| 19224 |
raden |
raden:
rao‧je (L295p Baarlo),
roaje (L295p Baarlo)
|
raden [N 07 (1961)] || raden (ww.) [SGV (1914)]
III-1-4, III-3-2
|
| 18167 |
rafel |
rafel:
reifels (L295p Baarlo)
|
Hoe noemt men de losse draden, die uit een weefsel loslaten? (Nederl. rafels) [DC 31 (1959)]
III-1-3
|
| 18168 |
rafelen |
rafelen:
roafele (L295p Baarlo),
rǭfǝlǝ (L295p Baarlo)
|
rafelen [SGV (1914)] || Uitvezelen van stof. [N 59, 188; N 62, 45a; MW; S 29; monogr.]
II-7, III-1-3
|
| 19576 |
ragebol |
spinnenjager:
sjpinnejaeger (L295p Baarlo),
spinnejaeger (L295p Baarlo)
|
bezem (met lange steel); inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || ragebol, bolvormige borstel waarmee spinnewebben worden verwijderd [N 26 (1964)]
III-2-1
|
| 19433 |
ramen lappen |
ruiten wassen:
rūtə wasə (L295p Baarlo),
ruiten zemen:
rūtə zīəmə (L295p Baarlo)
|
ramen zemen [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 18413 |
rand van een hoed |
rand:
rank (L295p Baarlo)
|
luifel, overstekende rand van een hoed [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 24626 |
rank |
rank:
rank (L295p Baarlo),
reng (mv.):
renj (L295p Baarlo)
|
rank [SGV (1914)] || ranken (v.e. wingerd) [SGV (1914)]
III-4-3
|