| 32581 |
mestspade, mestmes |
meststik:
[mest]stek (K358p Beringen)
|
Het voorwerp waarmee men het in het vorige lemma bedoelde werk verrichtte. Dit gereedschap werd ook wel gebruikt voor het afsteken van ingekuild veevoeder of geperst hooi. Van de onderstaande termen zijn er vele niet specifiek voor de meststeker: zij noemen een bepaald soort gerei dat ook voor ander werk te gebruiken is. Voor de varianten van mest zij verwezen naar het lemma (stal)mest. [N 18, 15 + 21d; N 5A, 50b; N 11A, 12; monogr.]
I-1
|
| 33622 |
mestvaalt |
mesthoop:
meͅsthup (K358p Beringen),
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mesthoeəp (K358p Beringen)
|
[Goossens 1b (1960)] [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 34364 |
mestvarken |
mestvarken:
męstfɛ.rǝkǝ (K358p Beringen)
|
Een varken dat gehouden worden om vet te mesten. [JG 1a, 1b, 2c; L 37, 49e; N C, add.; N 19, Q 111 add.; N 19, Q 204a add.; monogr.]
I-12
|
| 34453 |
met de horens stoten, gezegd van de bok |
stoten:
stuwǝtǝ (K358p Beringen)
|
[N 19, 75]
I-12
|
| 34625 |
met de kar achteruit rijden |
kruien:
krø̜̄i̯ǝ (K358p Beringen),
stoten:
stūu̯ǝtǝ (K358p Beringen)
|
Voor de voermansroep om het paard achteruit te doen gaan, zie wld I.10 onder het lemma achteruit. [N 17, 95 + 99]
I-13
|
| 34623 |
met de kar rijden, iets vervoeren |
varen:
vārǝ (K358p Beringen)
|
Dit lemma vormt een aanvulling van het lemma met paard en kar rijden in wld I.10. Alleen de opgaven voor de plaatsen waarvoor in WLD I.10 geen materiaal voorhanden was, zijn hier opgenomen. De kaart combineert de gegevens van beide lemmata. [N 17, 94; RND 97; monogr.]
I-13
|
| 33178 |
met de kruk poten |
koten stompen:
kotǝ stǫmpǝ (K358p Beringen)
|
[N 12, 12; monogr.]
I-5
|
| 17868 |
met de linkerhand |
met de slinkse hand:
mee de slinksche hand (K358p Beringen)
|
met de linkerhand [ZND 37 (1941)]
III-1-2
|
| 33176 |
met de schop poten, kuiltjes maken |
inkappen:
enkapǝ (K358p Beringen),
kuilen:
kø̜̄lǝ (K358p Beringen),
kuiltjes maken:
kø̜lkǝs mǭkǝ (K358p Beringen)
|
Het poten met de hand, in tegenstelling tot het poten met de ploeg, bestaat eigenlijk uit drie handelingen: (a) het graven van een kuiltje met de schop ofwel het steken van een gat in de grond met de kruk; (b) het gooien van een pootaardappel in dat kuiltje; en (c) het weer dichtmaken van het gat. In de vragenlijst zijn de handelingen (a) en (b) apart afgevraagd; maar soms hebben de zegslieden toch met één algemene term geantwoord. Deze algemene termen voor poten staan achter in het lemma bijeen; voor de fonetische documentatie daarvan zij verwezen naar het lemma Poten. [N 12, 14 en 15; monogr.]
I-5
|
| 33999 |
met de zweep slaan of geluid geven |
klitsen:
kletsǝ (K358p Beringen),
smakken:
smakǝ (K358p Beringen),
zwepen:
zwīǝpǝ (K358p Beringen)
|
Het slaan met de zweep brengt een knallend geluid voort. Terwijl in de enquête van J. Goossens het werkwoord zwepen in de jaren vijftig enkel voor Achel (L 282) en Hamont (L 286) werd opgetekend, vermeldt de enquête van P. Willems (1885)het nog voor een groot aantal gemeenten uit de beide Limburgen. Zie in dit verband ook ros voor "paard" (WLD I, afl. 9, p. 5). [JG 1a, 1b, 2c; L 8, 141a; Wi 42; monogr.]
I-10
|