| 31688 |
houtzager |
zeger:
zē̜gǝr (Q083p Bilzen)
|
De werkman die hout zaagt, hetzij met de hand, hetzij met een machinale zaag. Vroeger werden boomstammen of balken tot planken gezaagd met behulp van een kraanzaag. Dit werk gebeurde steeds met twee man. Eén zager stond op de boomstam, de andere eronder. De boomstam lag dan op een zaagstelling of boven een kuil. Zie ook de lemmata ɛkraanzaagɛ en ɛzaagstellingɛ.' [N 50, 40a-c; N 53, 33a; monogr.]
II-12
|
| 30268 |
houvast |
houvast:
(h)āvas (Q083p Bilzen),
houvastje:
(h)āvaskǝ (Q083p Bilzen)
|
Bout met aan een zijde een punt en aan de andere zijde een blad met spijkergaten. De houvast wordt in de muur geslagen om er houten voorwerpen, bijvoorbeeld een kozijn, aan vast te maken. [N 53, 226; monogr.]
II-12
|
| 29627 |
houweel |
bik:
bek (Q083p Bilzen
[(niet gebruikt bij het kleisteken)]
),
pioche:
piǫš (Q083p Bilzen
[(idem)]
)
|
Houwwerktuig met lange steel en twee armen. Een van de armen heeft een beitelvormig uiteinde, de andere loopt uit in een punt. De houweel werd gebruikt om in de winter de klei los te kappen. In L 381 werd dit werk gedaan met een beitel (bęjt\l). [N 98, 37; monogr.]
II-8
|
| 29956 |
houwhamer |
brikkenbreker:
brekǝbrē̜kǝr (Q083p Bilzen)
|
Tweesnijdende beitel met een handgreep in het midden, gebruikt om metselstenen te bekappen. Zie ook afb. 16. [N 30, 15b; monogr.]
II-9
|
| 19187 |
hovaardig |
hovaardig:
hoͅviəriX (Q083p Bilzen)
|
hovaardig [ZND A1 (1940sq)]
III-1-4
|
| 18962 |
huichelaar |
schijnheilige:
das ne schijnheilige (Q083p Bilzen),
dat es ne scheinhêllige (Q083p Bilzen)
|
huichelaar (schijnheilige, enz.) [ZND 24 (1937)]
III-1-4
|
| 17565 |
huid |
vel:
vɛl (Q083p Bilzen)
|
een vel [ZND A1 (1940sq)]
III-1-1
|
| 18044 |
huiduitslag |
brobbels:
Gepaard gaand met oneffendheden.
broebbele (Q083p Bilzen),
brobbeltjes:
Gepaard gaand met oneffendheden.
bribbelkes (Q083p Bilzen),
uitslag:
(vol) autslaog (ston) (Q083p Bilzen)
|
Huiduitslag: plaatselijke verandering van de huid in de vorm van vlekken, pukkeltjes, etc. (uitslag, pukkels, broebels). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 34618 |
huif van de huifkar |
huif:
hau̯f (Q083p Bilzen),
hǭu̯f (Q083p Bilzen)
|
Kap van de huifkar. Deze kap wordt over hoepels getrokken, die vooraf op een hooikar gezet worden. [N 17, 10b; S 15; Wi 17; L 27, 32; L 1a-m; monogr]
I-13
|
| 18647 |
huifkar |
huifkar:
hǫu̯fkār (Q083p Bilzen)
|
Benaming voor een hoogkar waarop men een huif gezet heeft, zodat de kar voor personenvervoer gebruikt kon worden (bijv. bij kerk- en marktbezoek). Soms werd de huifkar ook voor vrachtvervoer, bijv. van meel, gebruikt. Zie ook het lemma molenkar in wld II.3. De huif was een linnen doek die over houten hoepels gespannen werd. Deze hoepels werden op hun beurt tegen de zijkanten van de kar bevestigd. Bovendien hing men aan de kar een trede, die het instappen vergemakkelijkte. [N 17, 10a + 15; N G, 51; JG 1a; S 15; L 27, 33; L 1a-m; R 3, 61; monogr.]
I-13
|