| 32878 |
hak van het blad van de zeis |
vars:
vars (L317p Bocholt)
|
Het brede uiteinde van het blad van de zeis, aan de zijde van de arend. Zie afbeelding 5, nummer 2. Sommige opgaven hebben betrekking niet alleen op het puntige uiteinde van de snede aan de zijde van de arend, maar op de gehele brede zijde van het blad, doorlopend tot de rug. Van een dergelijke toevoeging is sprake bij: vars 113, 115, 117, 118a, 172, 173, 176a, 179, 182, 219, 177, 186, 223, Q 73, 157a, 160, 161, 164, 166, 240; voet: L 324. [N 18, 68b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-3
|
| 18791 |
haken |
crocheteren (<fr.):
crochetèren (L317p Bocholt),
kresteiren (L317p Bocholt),
haken:
eu van freule
heuken (L317p Bocholt)
|
Haken, crocheren. [ZND 35 (1941)]
III-1-3
|
| 28863 |
haken en ogen |
haak en oog:
hǭk ɛn awx (L317p Bocholt),
haken en ogen:
hikǝ ɛn awgǝ (L317p Bocholt),
hø̄k ɛn ǫwgǝn (L317p Bocholt)
|
Kleine metalen haakjes en ringetjes die, langs de zomen van kledingstukken genaaid, dienen om deze te sluiten. [N 62, 51; L 1a-m; L 24, 40b; L 49, 25; MW; S 11]
II-7
|
| 19692 |
hakmes |
heep:
hiep (L317p Bocholt),
wapen:
woape (L317p Bocholt)
|
breed hakmes || een kleine bijl om dunner hout te klieven
III-2-1
|
| 33153 |
haksel |
haksel:
hɛksǝl (L317p Bocholt)
|
Het kortgehakte stro, op de snijbok of in de hakselmachine, werd vroeger, samen met haver, gekookt en aan de beesten gevoerd. Als het iets grover gesneden was werd het ook wel als strooisel in de potstal gebruikt. Zie ook het lemma ''bussel kort stro'' (6.1.29). Zie voor de fonetische documenatie van het woorddeel [stro] het lemma ''stro'' (6.1.24). [JG 1b, 2c; L 1, a-m; L 26, 11; S 12; Wi 51; monogr.]
I-4
|
| 17810 |
halen |
halen:
halen (L317p Bocholt)
|
halen: Moeder, bij wie moet ik geld halen ? [ZND 44 (1946)]
III-1-2
|
| 21661 |
halen en betalen |
halen en leveren:
ps. omgespeld volgens Frings.
halə eͅn lēvərə (L317p Bocholt),
ophalen:
ps. omgespeld volgens Frings.
oͅphālə (L317p Bocholt)
|
Halen en betalen wat men gekocht heeft [ik moet gaan ontvangen?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20343 |
half- of stiefbroer |
stiefbroer:
steefbroor (L317p Bocholt)
|
De zoon van de tweede man of vrouw van je vader of moeder (stiefbroer) [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 20344 |
half- of stiefzuster |
stiefzuster:
steefzuster (L317p Bocholt)
|
De dochter van de tweede man of vrouw van je vader of moeder (stiefzuster) [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 33477 |
half-cirkelvormig raam |
halfmaan:
hau̯fmǭn (L317p Bocholt)
|
Een raam in de vorm van een halve cirkel met de rechte zijde aan de onderkant, meestal aan stallen. Het benoemingsmotief van de benamingen is meestal de vorm van de raampjes, soms zijn ze naar andere raampjes genoemd die dezelfde vorm hebben (van de oven of van - onbeglaasde - ventilatie-openingen in de muur of in het dak (zie o.a. het lemma "rond gat boven in de schuurgevel", 4.2.11). [N 4, 51; N 4A, 38a]
I-6
|