| 25584 |
rijskast |
rijskast:
riskas (L317p Bocholt)
|
De kast - meestal een onderdeel van een (modernere) oven - waarin de narijs plaatsvindt. Vraag N29, 39a ("Waar vindt deze narijs plaats?") is door de verschillende antwoorden in verschillende lemmata gesplitst. Algemene benamingen als bakkerij (in L 270, 292, 372, 377, 383, Q 99*, 121e, 198b), een warme plaats (in L 318b, 414) een keuken (in Q 28), het bakhuis (in Q 3, 121c), bakker (L 250), onder een zak (Q 121), tussen deegkleedjes (Q 20) zijn niet fonetisch gedocumenteerd. [N 29, 39a; N 29, 37]
II-1
|
| 20817 |
rijst |
rijst:
ri-js (L317p Bocholt)
|
rijst
III-2-3
|
| 20603 |
rijstebrij |
rijstepap:
Innen hemel ète ze ri-jzepap möt guiwe liêpelkes
ri-jzepap (L317p Bocholt),
Syst. Frings
risəpap (L317p Bocholt)
|
Rijstebrij (pötjesbulling?) [N 16 (1962)] || rijstepap
III-2-3
|
| 20737 |
rijstevlaai |
rijstevlaai:
ri-jstevlaai (L317p Bocholt),
Syst. Frings
ristəvlāi̯ (L317p Bocholt)
|
rijstevlaai || Vla bedekt met spijs van rijst [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34643 |
rijtuig |
kar:
kar (L317p Bocholt),
rijtuig:
rijtuig (L317p Bocholt),
voiture:
vu̯ǫtȳr (L317p Bocholt)
|
Personenvoertuig, waarbij niet de huifkar bedoeld wordt. Gezien het feit dat het hier om zaken gaat die reeds lang verdwenen zijn, is de verwarring rond de dialecttermen groot. Dit lemma is samengesteld uit de antwoorden op algemene vragen als "hoe noemt u een tweewielig rijtuig" die geen betrekking hebben op een specifieke soort. Ook de meer algemene antwoorden die in N 101 bij de vragen naar bepaalde soorten rijtuigen opgegeven werden, zijn hier verwerkt. De veel voorkomende opgaven "koets" en "sjees", de bekendste vier- en tweewielige rijtuigen, zijn in de betreffende lemmata opgenomen. [N 101, 1-14; N G 51; L 1 a-m; L 28, 24; L 36, 70; LA 288; S 18, 30; Wi 16; monogr]
I-13
|
| 33978 |
rijzadel |
rijzadel:
ri ̞i̯.zāl (L317p Bocholt)
|
Zadel dat gebruikt wordt bij het berijden van een paard. [JG 1a, 1b]
I-10
|
| 21032 |
rijzen |
gaan:
gūn (L317p Bocholt)
|
[N 29, 25b; monogr.]
II-1
|
| 33084 |
rijzen, uit de aren vallen |
rijzen:
rizǝ (L317p Bocholt),
ruizelen:
rȳzǝlǝ (L317p Bocholt)
|
Het uit de aren vallen van de graankorrels, wanneer het graan goed droog is en op de wagen getast wordt. ''tasser op de wagen'' (5.1.5). In L 286 en 288 voegt men toe dat dergelijk koren rijskoren (riskōrǝ) wordt genoemd. De laatste drie uitdrukkingen betekenen zoveel als: "het koren is zo droog dat de korrels uit de aren vallen". Naar de fonetische verschijningsvorm zouden de uitdrukkingen (het is) rijs echter ook persoonsvormen van het werkwoord rijzen kunnen zijn.' [N 15, 53; JG 1a, 1b, 2c; L 32, 41; monogr.]
I-4
|
| 29012 |
rimpelen, fronsen |
rimmen:
rømǝ (L317p Bocholt)
|
Al plooiend rijgen. Rimpelen is het uitrekken van een hoeveelheid stof tot een vooraf bepaalde kortere lengte, langs één of meer stiklijnen, waarbij de ruimte wordt verdeeld in gelijke, soepele plooitjes (Het Beste Naaiboek, pag. 178). Bij fronsen wordt de ruimte over een bredere afstand verdeeld dan bij rimpelen. Zie afb. 46. [N 59, 53; N 62, 12a; N 62, 30; Gi 1.IV, 34; MW; monogr.]
II-7
|
| 17599 |
rimpels |
rimpels:
rumpels (L317p Bocholt),
rimpsels:
Vgl.: gerumpeld gezicht.
rumpsels (L317p Bocholt)
|
rimpels (in het gezicht) [ZND 41 (1943)]
III-1-1
|