e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Bommershoven

Overzicht

Gevonden: 1171
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
inkuilen inkuilen: ęi̯.ŋkoulǝ (Bommershoven) De aardappelen worden met de slagkar van het veld naar de boerderij vervoerd en daar op een droge plaats voorlopig opgeslagen om uit te wasemen. Vroeger gebeurde dit in de kelder onder de bakoven (zie aflevering I.6 over de bedrijfsgebouwen van de boerderij). Tegen de winter worden de aardappelen ingekuild, dat wil zeggen in een aardappelkuil of -groeve gestort. De algemene benamingen voor deze handeling staan in dit lemma bijeen. Zie verder het lemma Aardappelkuil, -Groef. [N 12, 28; JG 1a, 1b; S 16; monogr.; add. uit N 12, 29; L 1, a-m; S 19] I-5
inleggen (in een voor) inleggen: ęi̯nlęgǝ (Bommershoven) Voor de fonetische documentatie van de typen poten en planten zie het lemma Poten; het verspreidingsgebied van zetten in dit lemma komt niet overeen met dat in het lemma Poten; het type is hier dan ook gedocumenteerd. [N 12, 11; JG 1a, 1b; monogr.] I-5
inspannen inspannen: ęi̯.nspanǝ (Bommershoven) Het opgetuigde paard voor een kar met berries spannen. Men plaatst het tussen de berries, waaraan de draagriem, de brede buikriem, en de strengen worden vastgemaakt. Voor andere voer- en landbouwwerktuigen wordt het paard niet in- maar aangespannen. De term inspannen werd echter ook enkele keren in de hier behandelde betekenis opgegeven. [JG 1b; N 8, 98a; RND 74] I-10
jas: algemeen pit: pit (Bommershoven) jas [ZND 06 (1924)] III-1-3
jenever brandewijn: branəwēͅn (Bommershoven), jenever: džənøͅjvər (Bommershoven), schnaps (du.): snaps (Bommershoven) jenever [ZND 01u (1924)] III-2-3
jeuk jeuksel: jyksəl (Bommershoven) jeuk [ZND 01u (1924)] III-1-2
jong dat pas kan vliegen pieper: pi̯ipər (Bommershoven), vlug: vløk (Bommershoven) Vlug jong. [Goossens 1b (1960)] III-3-2
jong dat pluimen begint te krijgen stoppelen: stòpələ (Bommershoven) Jong dat pluimen begint te krijgen. [Goossens 1b (1960)] III-3-2
jong dat pluimen begint te krijgen (zn.) stoppeljong: stòpəljò.ŋk (Bommershoven) Jong dat pluimen begint te krijgen. [Goossens 1b (1960)] III-3-2
jong en kaal vogeltje vogeltje: vø̄.gəlkəs (Bommershoven, ... ) vogeltje [ZND 04 (1924)] III-4-1