| 17905 |
nemen, pakken |
nemen:
neejme (Q156p Borgloon),
nēī.mə (Q156p Borgloon)
|
nemen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 32853 |
nerf van de weide |
groes:
grūs (Q156p Borgloon),
ris:
rēi̯ǝs (Q156p Borgloon)
|
Begroeide bovenlaag van wei- of hooiland; grasmat, graslaag. Zie ook de lemma''s ''nerf van de akker'' en ''groes'', ''met gras begroeide grond'' in de aflevering over de Landerijen. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) ''gras'' het lemma ''gras''. [N 14, 51; N 18, 12 add.; monogr.]
I-3
|
| 24215 |
nest |
nest:
nêi.s (Q156p Borgloon),
nês (Q156p Borgloon)
|
nest [Willems (1885)], [ZND m]
III-4-1
|
| 24218 |
nestverlater |
vlug:
vløk (Q156p Borgloon)
|
jonge vogel in staat uit te vliegen [ZND 36 (1941)]
III-4-1
|
| 28782 |
neteldoek |
doek:
duk (Q156p Borgloon)
|
Oorspronkelijk uit netelgaren, later van licht katoen of mousseline vervaardigd los weefsel in effen binding (Van Dale, pag. 1812). De woordtypen zaandoek, kaasdoek en biestdoek duiden erop dat neteldoek ook gebruikt wordt om melk door te zeven, terwijl berendoek wijst op het feit dat neteldoek dienst kan doen als persdoek bij de bereiding van bessensap. Neteldoek wordt ook gebruikt om kwark te maken. [N 62, 83; N 62,82; N 62, 98; MW; Wi 11; monogr.]
II-7
|
| 17608 |
neus |
neus:
nôs (Q156p Borgloon)
|
neus [ZND m]
III-1-1
|
| 18343 |
neus van een schoen |
snuit:
snouət (Q156p Borgloon),
snōͅt (Q156p Borgloon)
|
neus van een schoen [snoet, tip, veusjte, teut] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 34222 |
neusklem |
praam:
prāu̯m (Q156p Borgloon),
snuitring:
snōǝtręŋk (Q156p Borgloon)
|
Klem in de neus van een stier. [N 3A, 14d]
I-11
|
| 33930 |
neusriem |
snuitband:
snǭǝ.t˱bānt (Q156p Borgloon)
|
Leren riempje van het hoofdstel dat over de neus van het paard loopt. [N 13, 23]
I-10
|
| 34370 |
neusring |
ring:
ręi̯ŋk (Q156p Borgloon),
trompring:
trumpręŋk (Q156p Borgloon)
|
Ring in de neus van het varken die het wroeten moet beletten. [N 19, 26; JG 2c; mongr.]
I-12
|