| 33272 |
raapzaadolie |
raapsmout:
ropsmā.t (Q156p Borgloon)
|
De olie die uit raapzaad wordt geslagen. Zie de toelichting bij het lemma Koolzaadolie. Bomolie is de olie die uit de eerste slagen van de molen wordt verkregen; ze is van goede kwalitetit en wordt als slaolie gebruikt. Bij de typen lijzend, lijzendsmout en lijzentesmout is uitdrukkelijk opgemerkt dat het om raapolie gaat. Bij de opgave raapzaad is uitdrukkelijk opgemerkt dat het om olie gaat. [JG 1a, 1b; monogr.]
I-5
|
| 28447 |
raat |
raat:
(mv)
rōǫtǝ (Q156p Borgloon)
|
Een raat is een schijf gevormd door twee lagen met de rug tegen elkaar liggende zeszijdige cellen. Ze wordt door de bijen gemaakt voor het opkweken van de larven en voor het opbergen van honing in de winter. Het bouwsel is van was. [N 63, 13a; L 1a-m; S 3; A 25, 10; JG 1a+1b; JG 2b-5, 3; Ge 37, 53; monogr.]
II-6
|
| 33576 |
rabarber |
rabarber:
rəbarəbər (Q156p Borgloon)
|
[ZND m]
I-7
|
| 32189 |
radmaker |
ramaker:
rǫmękǝr (Q156p Borgloon),
rǭmīkǝr (Q156p Borgloon)
|
Vakman die gespecialiseerd is in het maken van houten wielen voor karren en wagens. Reparaties aan de houten wielen konden niet alleen door de wagenmaker, maar ook door de timmerman/schrijnwerker worden uitgevoerd. Zegslieden uit de volgende plaatsen gaven dit antwoord: Paal (K 357), Neerpelt (L 312), Overpelt (L 314), Kaulille (L 316), Neeroeteren (L 368), Maaseik (L 372), Opoeteren (L 415), Meldert (P 45), Duras (P 115), Ulbeek (P 121), Hoepertingen (P 188), Waasmont (P 211), Veldwezelt (Q 91), ɛs-Herenelderen (Q 168). De metalen onderdelen voor de kar- en wagenwielen, zoals de wielbanden en de asbus werden vaak door de lokale smid geleverd. Hij voerde daar ook reparaties aan uit. Dit laatste was volgens informatie van de zegslieden het geval in Heppen (K 316), Beringen (K 358), Neerpelt (L 312), Bocholt (L 317), Gruitrode (L 366), Neerglabbeek (L 367), Ulbeek (P 121), Sint-Truiden (P 176), Hasselt (Q 2), Genk (Q 3) en Neerharen (Q 96c). Zie verder ook de paragraaf over de vaktaal van de karsmid in wld II.11, pag. 128-139.' [N G, 1b; N G, 2; L 34, 18; monogr.]
II-12
|
| 19576 |
ragebol |
spinnenkop:
speͅnəkoͅp (Q156p Borgloon),
handborstel
spenəkop (Q156p Borgloon),
idiosyncr.
spennekop (Q156p Borgloon)
|
borstel; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || ragebol, bolvormige borstel waarmee spinnewebben worden verwijderd [N 26 (1964)]
III-2-1
|
| 19977 |
rammelaar |
mannetje:
mɛnəkə (Q156p Borgloon)
|
rammelaar, mannetje konijn [Goossens 1b (1960)]
III-2-1
|
| 18413 |
rand van een hoed |
rand:
rant (Q156p Borgloon),
raŋk (Q156p Borgloon)
|
luifel, overstekende rand van een hoed [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 24229 |
ransuil |
bosuil:
Frings
boͅəs˂āil (Q156p Borgloon),
ooruil:
Frings
oͅu̯rail (Q156p Borgloon)
|
uil: ransuil (36 oorpluimpjes, bijna alleen in mastbossen; broedt in oud kraaienest; roep [oe-oe-oe-oe] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 20515 |
ranzig |
garst:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
gā.s (Q156p Borgloon),
garstig:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
gasittig (Q156p Borgloon)
|
garstig [ZND 23 (1937)]
III-2-3
|
| 33207 |
rapen |
rapen:
rǭ.pǝ (Q156p Borgloon)
|
De aardappelen oprapen en in een mand bijeen doen, achter de rooiers of achter de rooiende ploeg aanlopend. [N 12, 21; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit N 12, 18; A 23, 17d; Lu 1, 17d]
I-5
|