| 22866 |
schaatsijzer |
ijzer:
ɛ.izər (Q156p Borgloon),
mes:
me(ə)s (Q156p Borgloon)
|
Noemt men het stalen onderdeel, dat over het ijs glijdt en dat geregeld geslepen moet worden, met een afzonderlijk woord? Zo ja, hoe luidt dit? [Lk 01 (1953)]
III-3-2
|
| 25043 |
schaduw, lommer |
lommer:
lómmər (Q156p Borgloon),
lə zitən in ə lumər (Q156p Borgloon)
|
schaduw (lommer) [RND] || Schaduw. Wij zitten in het lommer,... in de schaduw. [ZND 37 (1941)]
III-4-4
|
| 21483 |
schafttijd |
caftijd:
kafətɛət (Q156p Borgloon)
|
schafttijd [RND]
III-3-1
|
| 20696 |
schapenvet |
schaapsvet:
sxōpsveͅt (Q156p Borgloon),
sxoͅəpsveͅt (Q156p Borgloon)
|
Schapevet (ongel?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33402 |
schapestal, schaapskooi |
schaapsstal:
sxops[stal] (Q156p Borgloon)
|
De stal, doorgaans een apart gebouw, waarin de schapen overnachten. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [L 38, 29; A 10, 9f; N 5, 105f; monogr.]
I-6
|
| 34494 |
scharrelen |
dabben:
dabǝ (Q156p Borgloon),
scharren:
sxē̜rǝ (Q156p Borgloon),
šɛ̄rǝ (Q156p Borgloon)
|
De kippen dabben en scharren in de grond om wormen, insecten en dergelijke te vinden. [N 19, 61a; L 33, 20; monogr.]
I-12
|
| 17800 |
schede |
botje:
niet algemeen gebruikt
bøͅi̯tšə (Q156p Borgloon)
|
schede, lederen ~ waarin een mes wordt bewaard [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34115 |
schede van de koe |
lijf:
lɛ̄.f (Q156p Borgloon)
|
Uitwendig geslachtsorgaan van de koe. [N C, 13; JG 1a, 1b; A 48A, 47b; monogr.]
I-11
|
| 17730 |
scheel |
scheel (bn.):
shjî.l (Q156p Borgloon)
|
scheel [ZND m]
III-1-1
|
| 17729 |
scheel zien |
naar maastricht kijken:
spottend
nô mestrich kie.ke (Q156p Borgloon),
scheel kijken:
schië.l kie.ke (Q156p Borgloon)
|
Scheel zien: gebrek van de ogen waarbij de oogassen niet op een zelfde punt gericht kunnen worden (scheel zien, scheel kijken, loensen) [N 108 (2001)]
III-1-1
|