| 24443 |
fruitworm |
appelmade:
apəlmōͅ (Q156p Borgloon),
made:
idiosyncr.
maue (Q156p Borgloon)
|
worm die in een appel huist [pieremenneke] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 19094 |
futloze jongen |
lorejas:
lou.rjas (Q156p Borgloon),
lummel:
daz enə lo.məl (Q156p Borgloon),
slof:
slū.f (Q156p Borgloon)
|
Dat is een lummel (futloze kerel). [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 24149 |
fuut |
rietgans:
Frings
reͅi̯tgās (Q156p Borgloon)
|
fuut (48 bruine kuif en kraag; alleen op grote vennen en plassen; zomervogel [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17807 |
gaan |
gaan:
go.n (Q156p Borgloon)
|
gaan [ZND m]
III-1-2
|
| 18345 |
gaatje voor de schoenveter |
oog:
ouge (Q156p Borgloon),
rijgkotje:
də réͅxky(3)̄tšəs (Q156p Borgloon)
|
gaatjes in de schoen waardoor de veter wordt geregen [riegaater] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21557 |
gadeslaan? |
gaderslaan:
zən zōͅkə (e) gōͅr slø.n (Q156p Borgloon)
|
Zijn zaken gadeslaan, goed zorgen voor zijn zaken. [ZND 35 (1941)]
III-3-1
|
| 22733 |
gaffel |
vork:
də vørək (Q156p Borgloon)
|
Worden de voorste kegels niet dichter bij elkaar geplaatst? Hoe noemt men dat? [ZND 36 (1941)]
III-3-2
|
| 21314 |
galgenaas |
deugnit:
enə døɛnit / doeͅnet (Q156p Borgloon),
vagebond (<fr.):
vōͅgəbo.nt (Q156p Borgloon),
vaurien (fr.):
vaurien
vā.riŋ / vāreŋ (Q156p Borgloon)
|
Een zeer slecht mens (galgenaas). [ZND 35 (1941)]
III-3-1
|
| 34570 |
galiot |
galiot:
galjo (Q156p Borgloon)
|
Kleine driewielige kar. Ze heeft een korte dissel met een oog, waaraan een koe of een paard via een zwenghout aangespannen werd. De galiot kan zowel een klein wieltje vooraan hebben als een slepend blok dat dient om het voertuig horizontaal tehouden. Het karretje diende om kleine lasten te vervoeren, bijvoorbeeld om klaver van het veld te halen of een zak graan naar de molen te brengen. [N 17, 41a-b; N G, 51 + 66a-d + 68a; JG 1b; L 27, 64; A 27, 23; A 42, 9a-b; Lu 5, 23, monogr.]
I-13
|
| 33849 |
galopperen |
galopperen:
galǝ`piǝrǝ (Q156p Borgloon)
|
De galop is een drie-tempogang. Het paard beweegt met lange, gelijkmatige passen en leidt met één van de voorbenen. Beginnend met het rechter voorbeen gaat het als volgt verder: links achter (linker diagonaal), rechts achter en links voor, gevolgd door een zweefmoment. Bij het grootste aantal paarden hoort men drie hoefslagen (zie drieslag), waarbij de nederzetting van de twee voeten overkruis geschiedt. Enkel bij de galop van zeer goed gedresseerde man√®gepaarden worden de vier hoefslagen gehoord. Dit laatste heeft niets te maken met "vierkappens, vierklauwens of viervoetig lopen", wat "snel lopen" betekent. Zie afbeelding 10. [JG 1b; N 8, 20, 81c, 81d, 81e en 81f]
I-9
|