| 25109 |
koude noordenwind, bijs |
bijs:
(m.)
bēs (P218p Borlo)
|
koude noorderwind [bies] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 18339 |
kous met knoopjes |
lange get:
laŋə getə (P218p Borlo)
|
kousen met knoopjes die over de gewone kousen worden gedragen [slopkouse, sjlopehaoze, sjloebe] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18195 |
kous: algemeen |
kous:
kōs (P218p Borlo),
n kousen]:
kōs (P218p Borlo)
|
kous (bedekt de voet en het been tot vlak onder of tot boven de knie) [ZND 16 (1934)] || kous, lange beenbekleding [haos, hous, sjtrump [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18179 |
kousenband |
kousenbindel:
kōsəbø̄ŋəl (P218p Borlo)
|
kousenband om het bovenbeen [bendel, binjel haozebendel, ongerbinjel, kousenbendel] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 19621 |
kouter |
kouter:
kōtǝr (P218p Borlo)
|
Het lange smalle mes dat (achter de voorschaar) aan de ploegboom is bevestigd en dat bij het ploegen de voor vertikaal afsnijdt. [N 11, 31.I.c; N 11A, 85b; JG 1a + 1b; A 26, 4a; L 1 a-m; L 28, 40; Lu 4, 4a; S 19; monogr.]
I-1
|
| 18205 |
kraag |
kraag:
kraog (P218p Borlo)
|
kraag [ZND 28 (1938)]
III-1-3
|
| 18678 |
kraag van een kraagmantel |
pelerine (<fr.):
peləren (P218p Borlo)
|
kraag, zeer brede ~ van een kraagmantel (vero) [pellerien] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18271 |
kraagmantel |
paletot (fr.) bet pelerine (<fr.):
pa.ltou bə peləren (P218p Borlo)
|
kraagmantel (vero) [kariek, karrik] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 22858 |
kraaltjes |
kraaltjes:
krö.əlkəs (P218p Borlo)
|
kraaltjes [RND]
III-3-2
|
| 32621 |
kraan van de metalen gierton |
kraan:
krǭǝn (P218p Borlo)
|
De kraan van de zinken gierton bestaat uit een korte, met een schuif of klep te sluiten buis, die van achteren voorzien is van of zich voortzet in een schuine of opgebogen lip of plaat. Als de kraan geopend is, stroomt de gier uit de ton tegen deze lip op waardoor zij zich in een wijde boog verspreidt. De in dit lemma opgenomen termen hebben achtereenvolgens betrekking op de kraan, het sluitstuk als geheel, het gierverspreidend onderdeel daarvan en de schuif of klep waarmee de kraan geopend en gesloten wordt. [JG 1a + 1b; N P, 6; N 11A, 54c; monogr.]
I-1
|