| 21501 |
krijt |
krijt:
en stuk wit kruid (P218p Borlo)
|
Een stuk wit krijt. [ZND 37 (1941)]
III-3-1
|
| 26082 |
kruien |
wegvoeren:
wɛx˲vȳrǝ (P218p Borlo)
|
Een last met de kruiwagen vervoeren. [N 18, 100 add; Wi 33; S 19; L 29, 4; L 1a-m; RND 97; A 42, 13 add + 16 add; monogr.]
I-13
|
| 19581 |
kruik |
kruik:
kraak (P218p Borlo)
|
kruik [ZND 29 (1938)]
III-2-1
|
| 20712 |
kruim |
breuzel:
breuzel (P218p Borlo)
|
kruim [ZND 29 (1938)]
III-2-3
|
| 17573 |
kruin |
kruin:
kraön (P218p Borlo)
|
de kruin van het hoofd (waar het haar draait) [ZND 29 (1938)]
III-1-1
|
| 24415 |
kruipend ongedierte |
wormen:
wərəm (P218p Borlo)
|
wormachtig en kruipend gedierte [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 17649 |
kruis |
kruis:
e kruis, twie kruisen (P218p Borlo),
krø̜̄s (P218p Borlo),
staartskruis:
statskrø̜s (P218p Borlo)
|
Beenderenstelsel aan het einde van de rug. [N 3A, 109] || Een kruis, twee kruisen. [ZND 29 (1938)] || Kruising van ruggegraat en achterheupen, uitlopend in de staart en staartwortel. Zie afbeelding 2.31. [JG 1a, 1b; N 8, 13 en 14]
I-11, I-9, III-3-3
|
| 23203 |
kruisbeeld |
kruis:
kruis (P218p Borlo)
|
Kruisbeeld. [ZND 22 (1936)]
III-3-3
|
| 34081 |
kruisbeen |
staartsbeen:
statsbiǝn (P218p Borlo),
staartschroef:
statsxrūf (P218p Borlo)
|
Heiligbeen, os sacrum; één der beenderen van het bekken. Het is een driehoekig beenstuk, ontstaan uit de vergroeiing van vijf wervels. [N 3A, 110a]
I-11
|
| 33551 |
kruisbes |
kroezel:
krisəl (P218p Borlo)
|
kruisbes [ZND 16 (1934)]
I-7
|