| 23656 |
heiligenmedaille |
medaille (<fr.):
medalie (L360p Bree)
|
Een rond of ovaalvormig lichtmetalen plaatje waarop Jezus of een heilige is afgebeeld [medalje, medallie, medallieje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23964 |
heiligschenner |
heiligschender:
heiligschenner (L360p Bree)
|
Een heiligschenner, -schender. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23963 |
heiligschennis |
heiligschennis:
heiligschennis (L360p Bree)
|
Heiligschennis, heiligschending, heiligschenderij, sacrilegie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19044 |
heimwee |
geen aard hebben:
ginnen aard (hebben) (L360p Bree),
heimwee:
heimwee (L360p Bree)
|
heimwee (hebben als iemand ergens niet kan wennen en erg naar huis verlangt, zegt men: Hij heeft (veel/erg/zon) .... [DC 45 (1970)], [DC 45 (1970)]
III-1-4
|
| 30064 |
heipalen |
heipalen:
hęjpǭlǝ (L360p Bree)
|
De houten of betonnen palen die bij een paalfundering gebruikt worden. In L 321 waren de heipalen vervaardigd van de houtsoort 'pitchpine' ('petšpīnǝ') of 'grenen' ('grē̜nǝ'). [N 31, 4b; N 31, 4a; N 31, 5a]
II-9
|
| 33724 |
heizeis |
heizeissie:
hęi̯zęi̯.si (L360p Bree),
lappenzeissie:
lapǝzęi̯.si (L360p Bree)
|
Zeis of een soort hak waarmee men hei maait of zoden hakt. In de regel heeft de heizeis één handvat. [JG 1a, 1b]
I-8
|
| 26741 |
heizicht, heizeis |
heizeisie:
hęjzęjsi (L360p Bree)
|
Gereedschap om hei te maaien. In dit lemma zijn verwerkt de gegevens van de enqu√™tevraag naar ''de zeis om hei te maaien'' (I, 26b) en de vraag naar ''de zeis speciaal voor hei te maaien en russen te steken'' in N 18, vraag 77. Van Vessem wijst op pag. 99 ook al op het probleem dat veel informanten de zicht- en zeisbenamingen door elkaar heen gebruiken, omdat de overeenkomst tussen beide werktuigen erg groot is. Ook in dit lemma komen de zicht- en zeisbenamingen door elkaar heen voor. Men mag er niet van uitgaan dat de verschillende woordtypen steeds hetzelfde gereedschap aanduiden. Gemeenschappelijk is welde gebruiksmogelijkheid van dit gereedschap, namelijk om er hei mee te maaien. Een verschil tussen heizicht en heizeis kan zijn dat de heizicht twee handvaten heeft, terwijl de heizeis één handvat heeft. Het blad van de heizicht kan ook kleiner zijn en vooral korter dan dat van de heizeis.' [N 18, 77; I, 26b]
II-4
|
| 26734 |
heizode |
heivlag:
hē̜i̯vlax (L360p Bree),
lap:
lap (L360p Bree),
vlik:
vlek (L360p Bree)
|
Afgestoken stuk hei. [N 14, 77b; N 14, 77c; N 27, 39h; N 27, 39g; N 18, add.; N 11, add.; S 46; A 39, 15a; A 39, 15b; R 3, 98; L 8, 123; L B2, 274; AGV, k6; monogr.]
I-8
|
| 33708 |
heizode los- en stukploegen |
hei omblekken:
hęi̯ omblękǝ (L360p Bree),
heiploegen:
hęi̯plōgǝ (L360p Bree),
kapotsnijden:
kǝpǫtsnijǝ (L360p Bree)
|
[N 27, 16]
I-8
|
| 33726 |
hek aan de ingang van een wei |
weipoort:
wē̜i̯pǫrt (L360p Bree)
|
In dit lemma zijn vooral de antwoorden ondergebracht van de vragen naar ø̄hek aan de ingang van een weiø̄ (N 14, 67), ø̄een (toegangs)hek, gevlochten van twijgen en opgehangen tussen twee stijlen, dat in een omheining is aangebracht of op een dam (in een sloot) is geplaatstø̄ (A 25, 5a), ø̄een hek, slag- of draaiboom op een doorgang naar akker of weide, of ter versperring van een weg in privaatbezitø̄ (L 19B, 6). [N 14, 67; A 25, 5a; L 19B, 6; Vld.; JG, 2c; monogr.]
I-8
|