| 30191 |
tuinen |
lokselen:
lǫksǝlǝ (L360p Bree),
oplappen:
ǫplapǝ (L360p Bree)
|
Vlecht- en pleisterwerk herstellen of vernieuwen. Het lemma bevat algemene benamingen voor het herstelwerk aan vakwerk, maar ook termen die specifiek het repareren van het pleisterwerk ('bijplekken', 'bijklenen', 'plaasteren', etc.) of het aanbrengen van nieuw vlechtwerk ('hervitsen', 'opnieuw vitsen', etc.) aanduiden. Het woordtype 'tuinen' is ook in L 332, Q 28 en Q 98 bekend. Het wordt daar echter uitsluitend gebruikt voor het dichten van hagen of het afrasteren van weilanden. [N 4A, 53i]
II-9
|
| 19738 |
tuingeranium |
geranium:
Bree Wb.
zjeranium (L360p Bree)
|
Tuingeranium (pelargonium zonale). Bladeren met enige ondiepe insnijdingen (gelobd) en gekartelde rand, in omtrek niervormig. Evenwijdig met de bladeren loopt midden op het blad een donkere band (zone). De bloemen zijn rood of anders van kleur, vele bloem [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 19749 |
tuinhuisje |
zomerhuis:
zoͅu̯mərhoͅu̯s (L360p Bree)
|
zomerhuisje (in de tuin) [ZND B1 (1940sq)]
III-2-1
|
| 33593 |
tuinkers |
tuinkers:
Bree Wb.
tûnkiêrs (L360p Bree)
|
Tuinkers; de plant heeft duidelijk witte of roodachtige bloempjes in een smalle tros en schuinopstaande vruchtjes die ongeveer een halve cm lang zijn, de bladerenzijn zeer fijn verdeeld, de stengel en kalkrijke vruchten zijn blauw berijpt (kers, tuinkers, [N 82 (1981)]
I-7
|
| 33542 |
tuinkervel |
kervel:
kervel (L360p Bree),
keͅ.rəvəl (L360p Bree),
Bree Wb.
kervel (L360p Bree)
|
[Goossens 1b (1960)]kervel [ZND 01 (1922)] || Tuinkervel; een één of tweejarig kruid, 30-60 cm hoog, met witte bloemen; de bladeren worden gebruikt in soep, sausen en salade (kervel, gervel, kelver, scharnpiep). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 33615 |
tuinman, boomkweker |
boomkweker:
JK Begrip te splitsen? veel samenstellingen met boom- uit RND zijn geconstrueerd; de andere hebben de ruimere betekenis van tuinman.
bôu̯mkwɛ̄kər (L360p Bree)
|
[RND 08]
I-7
|
| 30188 |
tuinmuur |
gevlochten muur:
gǝvlǫxtǝ mōr (L360p Bree),
lemen muur:
lęjmǝ mōr (L360p Bree)
|
Uit horizontale en verticale balken samengestelde wand die is opgevuld met vlechtwerk en vervolgens is afgesmeerd met leemspecie. In plaats van vlechtwerk kunnen ook bakstenen worden gebruikt. [S 42; N 4A, 53f; N F, 56b; N 31, 45a; monogr.; N 4A, 52f; N 4A, 52d]
II-9
|
| 18710 |
tuinwant |
tuinhaas:
tøyjnhāywsə (L360p Bree)
|
wanten, dikke, vaak leren ~, om in doornheggen te werken [tuunen, tuinheisje, döörheusje] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 19512 |
tuit |
tuitel:
teitel (L360p Bree),
tei̯təl (L360p Bree),
tɛ̄i̯təl (L360p Bree)
|
tuit van de waterketel van koper of ijzer en met hengsel en tuit [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20746 |
tulband |
brioche (fr.):
briosj (L360p Bree)
|
tulbandkoek
III-2-3
|