| 19977 |
rammelaar |
rammel:
remmel (Q035p Brunssum),
rammeltje:
remmelke (Q035p Brunssum)
|
Het speeltuig voor heel jonge kinderen, dat bestaat uit een holle bol met een handvat waarin zich één of meer losse balletjes bevinden [rammelaar, rammel, klater]. [N 88 (1982)] || konijn, mannetje [DC 04 (1936)]
III-2-1, III-3-2
|
| 20295 |
rammelen |
rammelen:
rammulu (Q035p Brunssum)
|
een onwelluidende, trillende klank voortbrengen, gezegd van loszittende voorwerpen die in beweging gebracht worden [rammelen, rotelen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 32680 |
ramskop |
ramskop:
ramskø̜p (Q035p Brunssum)
|
De tweelinghaak aan de voorploeg, waaraan de grindelketting bevestigd is. [N 11, 31.II.o; N 11A, 139d]
I-1
|
| 18413 |
rand van een hoed |
luif:
leuf (Q035p Brunssum)
|
luifel, overstekende rand van een hoed [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 27713 |
rangeerterrein |
rangeerterrein:
ranšērtǝręjn (Q035p Brunssum
[(Emma / Hendrik / Wilhelmina)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
|
Plaats waar de kolentreinen worden samengevoegd of gesplitst. [N 95, 23]
II-5
|
| 24626 |
rank |
rank:
rank (Q035p Brunssum),
WLD
rank (Q035p Brunssum),
reng (mv.):
reng (Q035p Brunssum)
|
rank [SGV (1914)] || ranken (v.e. wingerd) [SGV (1914)] || Stengel met bladeren, bloemen, etc. die in zichzelf niet voldoende stevigheid bezit om overeind te staan, vooral van klimplanten (reng, rank, rene, tak). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33580 |
ranken van de wingerd |
ranken:
reng (Q035p Brunssum)
|
[SGV (1914)]
I-7
|
| 24229 |
ransuil |
katuil:
katuul (Q035p Brunssum),
katūūÒl (Q035p Brunssum)
|
ransuil || uil: ransuil (36 oorpluimpjes, bijna alleen in mastbossen; broedt in oud kraaienest; roep [oe-oe-oe-oe] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 20515 |
ranzig |
gats:
gats (Q035p Brunssum),
gàts (Q035p Brunssum),
sterk:
sjterk (Q035p Brunssum)
|
garstig spek [..] [SGV (1914)] || ranzig; Hoe noemt U: Sterk smakend, onaangenaam ruikend gezegd van spek (ranzig, garstig) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33207 |
rapen |
rapen:
rāpǝ (Q035p Brunssum)
|
De aardappelen oprapen en in een mand bijeen doen, achter de rooiers of achter de rooiende ploeg aanlopend. [N 12, 21; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit N 12, 18; A 23, 17d; Lu 1, 17d]
I-5
|