| 30800 |
flank |
flank:
flaŋk (L421p Dilsen),
zijden:
zīǝ (L421p Dilsen)
|
Het gedeelte van de huid dat de flank bedekt. Volgens de informant van L 292 is het leer hiervan minder van kwaliteit maar zeer geschikt voor de binnenhaam. Zie afb. 1. [N 60, 3e; N 60, 3d; N 60, 247; N 36, 5; N 36, 4; N 36, 6b] || Zijkanten van de buik tussen de achterste ribben en de heup. De flanken dienen kort, gesloten en gevuld te zijn. Zie afbeelding 2.32. [JG 1a, 1b; N 8, 12 en 32.10]
I-9, II-10
|
| 18010 |
flauwvallen |
kwalijk vallen:
koalek vallen (L421p Dilsen),
koalik vallen (L421p Dilsen),
van zijn center vallen:
van z`ne center vallen (L421p Dilsen),
verduizeld neervallen:
verduiselt (L421p Dilsen)
|
een beroerte, een geraaktheid krijgen [ZND 32 (1939)] || het bewustzijn verliezen [DC 60 (1985)] || Wilt u het volgende zinnetje aanvullen: hij kreeg zon harde klap, hij viel ... neer. (buiten bewustzijn) [DC 60 (1985)]
III-1-2
|
| 33755 |
fokmerrie |
veulensmeer:
vȳǝ.lǝsmīǝ.r (L421p Dilsen)
|
Een merrie geschikt voor de kweek of die één of meer veulens gehad heeft. Een kweekmeer werkt niet (Q 168), terwijl een veulensmeer ook in de kar loopt (Q 77). In tegenstelling tot een veulensmeer is een kweekmeer gewoonlijk drachtig. Kleinere boeren zorgen ervoor een veulensmeer te hebben, die jaarlijks een veulen werpt, waardoor elk jaar een aanspanner ter beschikking staat. [JG 1a, 1b; N 8, 50b]
I-9
|
| 34312 |
fokzeug |
baggelzoog:
bágǝlzūox (L421p Dilsen)
|
Zeug die men houdt om biggen te winnen. [JG 1a, 1b; N M, 22 add.; monogr.]
I-12
|
| 20143 |
fopspeen |
lots:
loetch (L421p Dilsen)
|
fopspeen; hoe heet in uw dialect de fopspeen die men kleine kinderen in de mond stopt om ze stil te krijgen [DC 43 (1968)]
III-2-2
|
| 30994 |
fouten bij slecht overhalen |
valse plooien:
valse plooien (L421p Dilsen)
|
Fouten die ontstaan, doordat men bij het overhalen het leer niet goed aantrekt. [N 60, 87]
II-10
|
| 33528 |
framboos |
framboos:
framboezen (L421p Dilsen)
|
Hoe noemt u de framboos in het algemeen (uitspraak) [N 72 (1975)]
I-7
|
| 31875 |
freesmachine |
frees:
frēs (L421p Dilsen),
toupie:
tapi (L421p Dilsen)
|
Machine, bestaande uit een metalen frame waarop een verticale as is aangebracht die voorzien is van een aantal beiteltjes. Met de freesmachine kunnen inkervingen in het hout worden aangebracht. Ze wordt ook gebruikt om bepaalde profielen in het hout aan te brengen en is dan vaak de vervanger van de profielschaven. Zie ook afb. 56. [N 53, 86a; monogr.]
II-12
|
| 31876 |
frezen |
uitfrezen:
ūtfrēzǝ (L421p Dilsen)
|
Het hout met behulp van de freesmachine bewerken. [N 53, 109a; monogr.]
II-12
|
| 19727 |
fuchsia |
belletjes:
-
bèlkes (L421p Dilsen),
fuchsia:
-
foeksia (L421p Dilsen)
|
fuchsia [DC 57 (1982)]
III-2-1
|