| 18017 |
hoest |
hoest:
houst (Q027p Doenrade)
|
hoest [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 21866 |
hogen |
hoger inzetten:
hoger inzèttə (Q027p Doenrade),
opbieden:
opbeijə (Q027p Doenrade)
|
de eerder geboden som verhogen op een veiling [hogen, een hoog zetten] [N 89 (1982)] || het bedrag waarmee men het bod verhoogt (door bijv. als verkoper mee te bieden) op een veiling [hoog] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 21966 |
hok om te paren |
kweekhok:
Opm. v.d. invuller: meestal met "un ren draa"(= een volière) er bij/voor.
u kweekhok (Q027p Doenrade)
|
een hok speciaal om er te paren en te broeden? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 33398 |
hok voor de beer |
stal:
štal (Q027p Doenrade)
|
Soms gebruikt men, in aansluiting bij de benamingen voor het hok van de zeug, ook specifieke benamingen voor de hokken van de beer, de mestvarkens en de biggen. Deze laatste staan in de drie volgende lemma''s bijeen. [N 76, 41e]
I-6
|
| 22147 |
hokjes waarin een duivenmand verdeeld is |
vakken:
vak (Q027p Doenrade)
|
Hoe heet verder in Uw dialect: hokjes waarin de duivenmand verdeeld is? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 22139 |
hoklijst |
hoklijst:
hoklies (Q027p Doenrade),
un hoklies (Q027p Doenrade)
|
Hoe heet verder in Uw dialect: hoklijst, lijst waarop alle duiven moeten worden ingeschreven? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 32203 |
holle ring aan de buitenzijde van de naaf |
hol profiel:
hǫl pǝrvīl (Q027p Doenrade)
|
De groef aan de buitenzijde van de naaf. Zie voor het woordtype verkeerde duivenjager, dat werd opgegeven door de respondent uit Eygelshoven (Q 119) ook het lemma ɛkwart-holvormig profielɛ in de paragraaf over de vaktaal van de meubelmaker.' [N G, 43a, 1]
II-12
|
| 24324 |
hommel |
hommel:
hoēēmel (Q027p Doenrade),
hooemel (Q027p Doenrade),
ideosyncr.
hommel (Q027p Doenrade),
WLD
hommel (Q027p Doenrade)
|
Hoe noemt u een soort bij: groot, breed gebouwd en meestal kleurig behaard (bruinrood of geel) (hommel) [N 83 (1981)] || hommel [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 20524 |
homp brood |
klomp:
kloomp (Q027p Doenrade),
stuk:
sjtök (Q027p Doenrade)
|
homp; Hoe noemt U: Een dik stuk brood (homp, fomp, facht, hoft, knods, knoft, kreeuw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19784 |
hond |
hond:
hondj (Q027p Doenrade)
|
hond [SGV (1914)]
III-2-1
|