| 33469 |
overdekte doorgang achter de dubbele toegangspoort |
poortdak:
pu̯ǫt˱dǭk (Q086p Eigenbilzen)
|
Achter de dubbele toegangspoort bevindt zich een ruimte, waarboven zich een dak of zolder bevindt. Deze ruimte geeft toegang tot een door woonhuis en bedrijfsgebouwen omgeven binnenplaats. Vergelijk ook afbeelding 6, gesloten hoeve. [N 5A, 77c; N 5, 110; div.; monogr.]
I-6
|
| 33817 |
overgevoelig paard |
(een) zure:
zūrǝ (Q086p Eigenbilzen)
|
Paard dat bij het zien van mensen geluiden en bewegingen maakt, maar zonder kwaadaardigheid. [N 8, 94e]
I-9
|
| 28997 |
overhandsen, omslingeren |
oversteken:
jɛ̄vǝrstɛ̄kǝ (Q086p Eigenbilzen)
|
Overhandsen is bij elke steek de draad over de zoom toehalen, terwijl omslingeren het rafelen moet voorkomen. Voor overhandsen en omslingeren wordt wel dezelfde steek gebruikt, maar er zijn toch verschillen. Bij overhandsen is er sprake van twee lagen of twee stukken stof, bij omslingeren is er slechts sprake van één stuk stof; bij overhandsen is er sprake van het aan elkaar bevestigen van twee delen, bij omslingeren van beveiligen van de stofrand tegen uitrafelen. Beide begrippen zijn in dit lemma ondergebracht. [N 59, 66; N 59, 65; N 59, 67; N 62, 15a; N 62, 15b; N 62, 15c; Gi 1.IV, 30]
II-7
|
| 18695 |
overhemd |
overhemd:
jevərhimə (Q086p Eigenbilzen)
|
overhemd [ingels hemd, sporthemd, frontj] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 17889 |
overhoop halen |
ondersteboven halen:
onnerste bweuve hoale (Q086p Eigenbilzen),
onnerste bwuve hoale (Q086p Eigenbilzen),
overhoop halen:
overhoop = jeverhoop
jeverhoop hoale(n) (Q086p Eigenbilzen)
|
Overhoop halen (modden, onderste boven / ondereen / overhoop halen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 22766 |
overige jaarvuren |
kermisdries:
kèrməsdries (Q086p Eigenbilzen),
kermisdriesvuur:
kèrməsdriesvuur (Q086p Eigenbilzen)
|
Welk jaarvuur kent (kende) men bij u (b.v. Vasten-, Paas-, of St.-Maartensvuur)? [ZND 17 (1935)]
III-3-2
|
| 18553 |
overjas (alg.) |
overjas:
ieͅvərjas (Q086p Eigenbilzen),
jēͅvərjas (Q086p Eigenbilzen),
zwatə jēͅvərjas (Q086p Eigenbilzen)
|
herenoverjas; inventarisatie huidige uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] || jas, lange zwarte (over)~ [pergeerjas, -keel, flankert] [N 23 (1964)] || overjas, lange ~, dik en warm [euverpalto, palzeer, jaager] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33897 |
overkoot |
over de poten schieten:
jɛvǝr dǝ pōtǝ šitǝ (Q086p Eigenbilzen)
|
Het voorwaarts doorknikken van de koot van het voorbeen van het paard als gevolg van een verstuiking of van een forcering door te hard te trekken. Zie afbeelding 13. [JG 1b; N 8, 73b, 93a, 93b en 95m]
I-9
|
| 33560 |
overrijp, beurs |
melig:
mèlig (Q086p Eigenbilzen)
|
Te rijp en daardoor droog en korrelig, gezegd van een vrucht (meelachtig, melen, versleten, melig). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 25065 |
overschot, restant |
klatsje:
kletske (Q086p Eigenbilzen),
rest:
res (Q086p Eigenbilzen)
|
dat wat over is gebleven van een oorspronkelijk aantal, hoeveelheid of geheel [rammenant, rest, solde, klak] [N 91 (1982)] || een klein overschot [kwets, kwats, klats, klets, klas] [N 91 (1982)]
III-4-4
|