| 29971 |
korteling |
korteling:
kǫrtǝleŋ (L320a Ell
[(id)]
)
|
Korte steigerpaal die aan één uiteinde draagt op de aanbinder en aan de andere kant in een in de muur uitgespaard steigergat. Over de kortelingen komen de steigerplanken te liggen die de steigervloer vormen. Zie ook afb. 18. [N 32, 3b; monogr.]
II-9
|
| 21132 |
korter maken |
afsnijden:
aafsnieje (L320a Ell)
|
een af te leggen afstand korter maken door een rechtere weg te nemen (richten) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 34520 |
kortwieken |
kortvleugelen:
kortvlø̄gǝlǝ (L320a Ell)
|
Men kort de vleugels van een kip, opdat ze niet kan wegvliegen. Een object ''kip'' of ''vleugels'' is niet gedocumenteerd. [N 19, 53; S 19; L 28, 35; L 1a-m; monogr.]
I-12
|
| 34078 |
kossem |
vang:
vān (L320a Ell)
|
Huidplooi of kwab onder de hals van een rund. [N 3A, 107]
I-11
|
| 21876 |
kostbaar |
duur:
deur (L320a Ell)
|
veel geld waard (zijn) [durabel, kostelijk, kostbaar] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 21657 |
kosten |
opbrengen:
waat bringe de verke op (L320a Ell),
uitdoen:
waat doon de bagke oet (L320a Ell)
|
Kosten, waard zijn; "wat kosten de biggen tegenwoordig?"[doen, uitdoen, gelle, gelden, gille? "wat gelle de baggen?"] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 23274 |
koster |
koster:
køͅstər (L320a Ell)
|
De koster [köster, kuster, keuster?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21550 |
kostschool |
kostschool:
kostsjoeël (L320a Ell),
pensionaat (<fr.):
pensjenaat (L320a Ell)
|
een school waar de leerlingen tevens voeding en huisvesting ontvangen [kostschool, pensionaat, interntaat] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 20650 |
kotelet, ribstuk |
karbonade:
kermenaai (L320a Ell)
|
Carbonade (krep, kermenaoj?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 25168 |
koud, mistig en somber weer |
dompig (weer):
dumpig (L320a Ell),
loerachtig (weer):
Aanvulling op laatste pagina, na vraag 54: De Kruisdagen zijn volgens oudere mensen de grens van guur naar mooi Lenteweer.
loerechtig wair (L320a Ell),
mistig (weer):
mistiek (L320a Ell),
motachtig:
(langgerekte oe).
moed-echtig (L320a Ell),
motlucht:
moedlocht (L320a Ell)
|
mist, gezegd van het weer [muur] [N 81 (1980)] || mistig weer [motlucht, moorweer, mokweer] [N 81 (1980)] || mistig, heiig [herig, domig, dompig] [N 22 (1963)] || mistige lucht [mok-, motlocht] [N 22 (1963)] || triest, stil weer [koereloeke] [N 22 (1963)]
III-4-4
|