| 23217 |
luiden |
luiden:
loewe (Q021p Geleen),
loeën (Q021p Geleen)
|
luiden [SGV (1914)] || Luiden [luuje, lujje, loewe?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23252 |
luiden voor de mis |
luiden:
t loed (Q021p Geleen)
|
De klok luiden vóór de aanvang van de doordeweekse mis(sen). [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23270 |
luiden voor de mis add. |
`s zondagsklok:
s zondesklok (Q021p Geleen)
|
Het luiden van de klokken op zondag een half uur en/of een kwartier vóór de aanvang van de vroegmis, de hoogmis, het lof of de vespers. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23467 |
luiden voor de vroegmis |
luiden voor de vroegmis:
t loed veur de vreumès (Q021p Geleen)
|
Het luiden van de klokken op zondag een half uur en/of een kwartier vóór de aanvang van de vroegmis, de hoogmis, het lof of de vespers. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18919 |
luieren |
faulenzen (du.):
voelenze (Q021p Geleen),
voellense (Q021p Geleen)
|
zijn tijd met nietsdoen doorbrengen en ook geen zin hebben om iets te doen [luieren, luibroeken, luierikken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 22146 |
luikjes of valdeurtjes in het binnendeksel van een duivenmand |
inzetkoker:
inzètkuiker (Q021p Geleen),
luikjes:
Opm. invuller twijfelt over dit antwoord (er staat een vraagteken ervoor!).
luikske (Q021p Geleen)
|
Hoe heet verder in Uw dialect: luikjes en valdeurtjes in het binnendeksel? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 19029 |
luilak |
luierik:
ps. invuller geeft geen antwoord op de zin.
luierik (Q021p Geleen)
|
luilak [~, die je bent] [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 23452 |
luiportaal |
portaal (<oudfr.):
pertaol (Q021p Geleen)
|
Het luiportaal, vertrek of ruimte onder de toren waar de klokketouwen hangen. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 17734 |
luisteren |
luisteren:
good loestere (Q021p Geleen),
løsteren (Q021p Geleen)
|
[N 84 (1981)]luisteren [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 22060 |
luizen |
luizen:
luus (Q021p Geleen, ...
Q021p Geleen)
|
Hoe noemt U in Uw dialect de volgende ziekten: luizen [N 93 (1983)]
III-3-2
|