| 22440 |
masker |
mombakkes:
mómbakkes (Q021p Geleen),
mommegezicht:
mommegezich (Q021p Geleen),
mommegezicht (Q021p Geleen),
mómmegezich (Q021p Geleen)
|
Een min of meer naar de vorm van het gezicht gemaakte bedekking die dient om dit onherkenbaar te maken of er een bepaalde gedaante aan te geven [mombakkes, mommegezicht, bambakkes, masker]. [N 88 (1982)] || masker [SGV (1914)] || Masker (carnaval).
III-3-2
|
| 20469 |
masturberen |
(-) aftrekken:
aaftrèkke (Q021p Geleen),
aftrekken:
aaftrèkke (Q021p Geleen)
|
onanie plegen, zichzelf bevlekken [zn eige aftrekke, afspelen] [N 10C (1995)], [N 10C (zj)]
III-2-2
|
| 28298 |
materiaalwagen |
geschierwagen:
gǝšīǝrwāgǝ (Q021p Geleen
[(Maurits)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
|
Mijnwagen waarmee gereedschap vervoerd kan worden. Een invuller uit Q 121 merkt over de "getuigwagen" op dat dit een mijnwagen met afsluitbaar deksel was, waarin gereedschap naar de ondergrondse magazijnen werd gestuurd. [N 95, 716; N 95, 677; monogr.]
II-5
|
| 33044 |
mathaak |
zichtehaak:
zextǝnhǭk (Q021p Geleen)
|
Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 22596 |
matsen, mitsen (kaartspel) |
mitsen:
mitsje (Q021p Geleen)
|
Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 19825 |
mattenklopper |
mattenklopper:
matteklopper (Q021p Geleen)
|
mattenklopper [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 20909 |
mayonaise |
mayonaise:
màjjənéés (Q021p Geleen)
|
mayonaise [RND]
III-2-3
|
| 18129 |
mazelen |
mazelen:
mazelen (Q021p Geleen),
mazeren:
mazere (Q021p Geleen)
|
Hoe noemt men de besmettelijke kinderziekte waarbij de huid vele kleine rode vlekjes vertoont (Nederl. mazelen)? [DC 25 (1954)]
III-1-2
|
| 28095 |
mechanische pijler |
mechanische pijler:
mechanische pijler (Q021p Geleen
[(Maurits)]
[Emma])
|
Pijler waarin een machine zorgt voor het losmaken, laden en transporteren van de kolen. In de mijn van Eisden wordt volgens de invuller uit Q 7 in zo''n mechanische pijler een ploeg of een zaag gebruikt. [N 95, 282; N 95, 596; N 95, 598; monogr.]
II-5
|
| 18235 |
medaillon |
medaille:
medaaile (Q021p Geleen),
medaillon:
medailljŏng (Q021p Geleen)
|
rond, ovaal- of hartvormig sieraad waarin een portretje of iets dergelijks bewaard wordt [medaillon, mejonneke, boot, coulant] [N 86 (1981)]
III-1-3
|