| 23455 |
omgang van de toren |
omgang:
òmgangk (Q021p Geleen)
|
De omgang, de trans van de toren. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23479 |
omheining van het kerkhof |
muur:
moer (Q021p Geleen)
|
De muur, de omheining van het kerkhof [toen, toun, tuun?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 33737 |
omheining van ijzeren spijlen |
hek:
hęk (Q021p Geleen),
stanketsel:
stakɛtsǝl (Q021p Geleen)
|
Omheining van ijzeren spijlen of staven. [A 25, 4e]
I-8
|
| 33736 |
omheining van opstaande latjes |
hek:
hęk (Q021p Geleen),
tuin:
tūn (Q021p Geleen)
|
Omheining getimmerd van opstaande latjes, meestal rond een tuin of hof. [A 25, 4d; monogr.]
I-8
|
| 33735 |
omheining van palen |
tuin:
tūn (Q021p Geleen),
vouwere:
vawǝrǝ (Q021p Geleen)
|
Omheining van palen, verbonden door enkele latten of ruwe planken. [A 25, 4c; monogr.]
I-8
|
| 33734 |
omheining van takken |
tuin:
tūn (Q021p Geleen)
|
Omheining van een erf of een stuk land, gevlochten van takken. [A 25, 4b; monogr.]
I-8
|
| 17917 |
omhelzen |
poenen:
pennen (Q021p Geleen)
|
omhelzen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17850 |
omhooggaan |
opgaan:
opgaon (Q021p Geleen, ...
Q021p Geleen),
stijgen:
sjtiege (Q021p Geleen)
|
rijzen: Naar boven gaan, omhooggaan (rijzen, stijgen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 28370 |
omkeerrol |
keerrol:
kiǝrrǫl (Q021p Geleen
[(Maurits)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
|
Rol aan het eind van de bandtransporteur waarover de band weer wordt teruggevoerd. [N 95, 642; monogr.]
II-5
|
| 25652 |
omkeren |
omdraaien:
omdrɛjǝ (Q021p Geleen)
|
Kadetjes of andere broodjes omdraaien tijdens de rijsperiode. De informant van L 312 merkt op dat "kappen" is een gleuf maken in de kadetjes. [N 29, 96a; monogr.]
II-1
|