| 26154 |
hekscheien |
scheien:
sxęjǝ (L164p Gennep)
|
De dwarse latten van het hekken, die aan de roede bevestigd zijn en waarop de zoomlatten vastgemaakt worden. Zie ook afb. 38. [N O, 2g; A 42A, 65; Sche 32]
II-3
|
| 25061 |
helemaal, geheel en al |
gaaruit:
Truj is gaoruut ien de war.
gaoruut (L164p Gennep),
Ziede gïj gaort gék!
gaort (L164p Gennep),
stik:
Dn bé.rg gèt hie.r stik af; t is enne stikke wèg. Zus is nog nie stik bèèter. t Is daor nie stik zö die.p. t Wördt zoo stikskes tied dat ie ku.mt (langzamerhand). tw. stik!: Stik, ik bin mien knip vergèète!
stik (L164p Gennep)
|
helemaal, geheel en al
III-4-4
|
| 19915 |
hemel |
hemel:
he.məl (L164p Gennep),
hemel (L164p Gennep)
|
hemel [RND], [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 34470 |
hen zonder staart |
bolhen:
bolhen (L164p Gennep)
|
[N 19, 62b; monogr.]
I-12
|
| 19511 |
hengsel |
hengel:
m.
hingel (L164p Gennep)
|
hengsel [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 33748 |
hengst |
hengst:
heŋst (L164p Gennep)
|
Ongesneden mannelijk paard. [JG 1a, 1b; A 4, 2b; L 20, 2b; L 39, 42; L A1, 166; S 27; Wi 8; monogr.]
I-9
|
| 33944 |
hengstebit |
dubbel gebit:
dø̜bǝl gǝbet (L164p Gennep)
|
Bit met een beugel in plaats van een kinketting. [N 13, 50]
I-10
|
| 27358 |
hennep |
hennep:
hɛnp (L164p Gennep),
hɛnǝp (L164p Gennep),
kemp:
kɛmp (L164p Gennep)
|
Cannabis sativa L. De tot een paar meter hoog opgroeiende eenjarige plant met getande zesvingerige bladeren. Van de vezels vervaardigt men touw en grof linnen voor zeilwerk. Het zaad is oliehoudend en wordt ook wel als vogelvoer gebruikt. Hennep is een tweehuizige plant, zodat men kan spreken van mannelijke en de vrouwelijke planten. De mannelijke (Cannabis sativa mas L.) groeit aanvankelijk harder, maar sterft ook eerder af. Hij is tengerder dan de vrouwelijke en levert alleen vezels. De vrouwelijke (Cannabis sativa foemina L.) is veel forser, draagt het zaad en levert de beste vezels. Door het forse uiterlijk van de vrouwelijke plant wordt deze vaak aangezien voor de mannelijke. In dit lemma worden onder A. eerst de algemene benamingen gegeven. Voor zover bekend volgen onder B. de benamingen voor de vrouwelijke en onder C. die voor de mannelijke hennep. Zie Brok 1973 en 1984. [A 49, 14a en 14b; L A1, 91; L 1, a-m; L 1u, 87; L 15, 6; Wi 52; S 13; monogr.; add. uit JG 1d] || De onbewerkte hennep die door enkele bewerkingen geschikt wordt gemaakt voor het spinnen. De gewone hennep kan wegens de buitengewone sterkte, de betrekkelijk grote lengte en buigbaarheid der vezels als de meest geschikte stof worden beschouwd voor het vervaardigen van touwwerk (Grothe, pag. 234). Al naar gelang het land van herkomst spreekt men van inlandse, Belgische, Italiaanse, Russische, Hongaarse hennep en van Manillahennep, Javahennep enz. Iedere soort kan variëren in kwaliteit en kleur. Het woordtype kennepin duidt op de vrouwelijke hennepplant. [N 48, 12a; Wi 52; S 13]
I-5, II-7
|
| 33343 |
herderin |
scheperin:
sxēi̯pǝren (L164p Gennep)
|
Bij de opgaven scheper en van herd wordt opgemerkt dat beide geslachten door deze termen worden aangeduid. [Wi 18; monogr.]
I-6
|
| 34440 |
herdershond |
herdershond:
hęrdǝrshōnt (L164p Gennep),
schaapshond:
sxǭpshōnt (L164p Gennep)
|
Hond van verschillend ras die door de herder wordt gebruikt ter bewaking van de schaapskudde. [N 7, 68; N 78, 21a; L 6, 30; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|