| 20610 |
roerom |
hangop:
meel in water gekookt en gegeten met stroop
hangop (L164p Gennep)
|
a. Kent men in Uw dialect een woord als troet, postrou, ruierom, potjebuul, potjemeel of iets dergelijks als naam voor een gerecht, bestande uit meel, gekookt in water of melk, gegeten met stroop, vet of boter. Zo ja, hoe luidt het precies?; b. Zo niet, h [DC 32 (1960)]
III-2-3
|
| 25088 |
roest |
roest:
roest (L164p Gennep, ...
L164p Gennep)
|
roest [SGV (1914)] || roest, rood- of bruingele bedekking die aan de oppervlakte van ijzer en staal ontstaat door verbinding met zuurstof, vooral in een vochtige omgeving [roester] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25084 |
roesten |
roesten:
roeste (L164p Gennep)
|
roesten [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19441 |
roestplek |
stee:
stee (L164p Gennep)
|
Roestplek in het linnen (spot, spit, tikkel, maal, plek, smet) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 19410 |
roet |
roet:
roet (L164p Gennep)
|
Het rookzwart dat onder een ketel vastzit (zoet, zwart, roet, kroos) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 21363 |
roezemoezen |
roezeboezen:
verbastering van Van Dale: roezemoezen, 1. leven, geraas, getier maken; -2. (gew.) een dof, gonzend geluid maken; -3. met bedrijvige drukte en stommelend geluid allerlei kleine bezigheden verrichten, rommelen, scharrelen.
roezeboeze (L164p Gennep)
|
roezemoezen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21095 |
rog |
rog:
WLD
ròg (L164p Gennep)
|
Hoe noemt u de rog: een kraakbeenvis met een afgeplat schijfvormig lichaam. Het voorste deel van het lichaam (romp en borstvinnen) vormt een ronde tot vierkante schijf. Het lichaam eindigt in een lange dunne staart. De staart draagt twee rugvinnen. Aan de [N 83 (1981)]
III-2-3
|
| 32976 |
rogge |
rog(ge):
rǫx (L164p Gennep)
|
Secale cereale L. Tot in de jaren vijftig het meest geteelde graangewas in Limburg, met uitzondering van Haspengouw, waar tarwe de meest verbouwde graansoort was. Men zaait ongeveer 170 kg rogge per hectare. Het koren-gebied in dit lemma wijkt aanzienlijk af van dat in het lemma ''graan, koren'' (1.2.1); vergelijk de kaarten die bij de lemma''s getekend zijn. Zie voor de benaming koren en voor de fonetische documentatie van het woord [koren] in het gebied waar ''koren'' zowel de algemene benaming alsook de benaming van de rogge is, het lemma ''graan, koren'' (1.2.1). Zie afbeelding 1, a. [JG 1a, 1b; L 34, 55b; L lijst graangewassen, 6; S 30; Wi 52; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 20760 |
roggebrood |
brood:
brood (L164p Gennep),
brōt (L164p Gennep),
pompernikkel:
pōmpənekəl (L164p Gennep),
Syst. Eijkman
pōmpənekəl (L164p Gennep),
zwartbrood:
mv. zwart?br”?
zwart˂brōt (L164p Gennep)
|
brood, roggebrood || Kent uw dialect het woord pompernikkel = bepaald soort roggebrood. A.u.b. ook de dialectvorm van uw plaats opgeven en eventueel de betekenis toelichten. [N 16 (1962)] || roggebrood [DC 35 (1963)] || zwart roggebrood
III-2-3
|
| 20674 |
roggemeelpap |
roggemeelsepap:
Syst. Eijkman
rogəmɛ̄lsəpap (L164p Gennep)
|
Pap van roggemeel (prol?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|