| 33970 |
schoftriem |
nakstuk:
nakstø̜k (P175p Gingelom)
|
Leren band van het borsttuig die over de schoft van het paard heen loopt. [N 13, 53]
I-10
|
| 33977 |
schoftzadel |
karzadel:
kē̜ǝrzǭǝl (P175p Gingelom),
zadel:
zǫǝl (P175p Gingelom)
|
Het zadel dat een tussen berries ingespannen paard op de schoft draagt. [JG 1a, 1b; N 13, 64a; monogr.]
I-10
|
| 17964 |
schokschouderen |
de schouders ophalen:
sxoərən oͅpoələ (P175p Gingelom),
de schouders optrekken:
sxaurə oͅptreͅkkə (P175p Gingelom)
|
schouders ophalen [schokschoere] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 22371 |
schommel |
zwok:
zwok (P175p Gingelom),
/
zwok (P175p Gingelom)
|
/ [SND (2006)] || Hoe heet het kinderspeeltuig, dat uit een plankje of bankje bestaat, welk door middel van twee touwen aan een dwarshout hangt en waarop het kind zich heen en weer laat zweven? [ZND 32 (1939)]
III-3-2
|
| 21277 |
school |
school:
tsxoͅl (P175p Gingelom)
|
school [RND]
III-3-1
|
| 21286 |
schoolkinderen |
schoolkinderen:
sxo.ulkiŋər (P175p Gingelom)
|
schoolkinderen [RND]
III-3-1
|
| 21426 |
schoolrapport |
bulletin (fr.):
böl`tɛ͂ (P175p Gingelom)
|
Bulletin: Schoolrapport.
III-3-1
|
| 27939 |
schoor |
steun:
stø̜jn (P175p Gingelom),
stoter:
stūtǝr (P175p Gingelom)
|
Schuine steunbalk tussen muurstijlen en regels. Zie ook afb. 47. [N 4A, 52c; N 31, 45d]
II-9
|
| 33422 |
schop, afdak voor landbouwgereedschappen |
hangaar:
haŋgār (P175p Gingelom),
schok:
skǫk (P175p Gingelom),
sxǫk (P175p Gingelom)
|
Het gedeelte van de boerderij-gebouwen waarin het los gereedschap, de karren, wagens en werktuigen worden opgeslagen. Soms stond deze bergplaats op zichzelf, maar doorgaans was ze tegen de schuur aangebouwd en bestond ze uit een groot afdak, zonder muren. Scherf is een contaminatie van ''schelf(t)'' en ''scherm''. Schaldij is eigenlijk "binnenplaats". Zie ook de plattegronden bij paragraaf 1.2. [N 5A, 73c en 80a; N 5, 105a, 106 en 107; JG 1a, 1b, 1c, 2a, 2b en 2c; L 1a-m; L B1, 179; L 6, 56 en 57; L 12, 1; L 19a, 11; Gwn 4, 1; S 1 en 50; monogr.]
I-6
|
| 31694 |
schors |
schors:
sxǫts (P175p Gingelom)
|
De ruwe buitenkant van de stam en takken van een boom. In sommige dialecten bestaat er een verschil in benaming tussen de schors van naaldbomen en die van andere bomen. Het betreft de plaatsen Lommel (K 278), Paal (K 357), Neerpelt (L 312), Overpelt (L 314), Hechtel L 352), Peer (L 355), Neerglabbeek (L 367), Houthalen (L 414), Hasselt (Q 2) en Martenslinde (Q 89). De schors van de naaldboom wordt daar met een locale uitspraakvariant van het woordtype schil aangeduid, de schors van andere bomen met die van schors. In Lanklaar (L 422) wordt het woord schaal (šal) alleen voor de schors van dennenbomen gebruikt [N 50, 8a-b; N 75, 83d; A 45, 32; L 34, 54a-b; monogr.]
II-12
|