| 34023 |
stuks -vee |
koeien:
kø̄ (Q193p Gronsveld)
|
Een boer heeft 10, 12, 14 enz. stuks vee. [N 3A, 2]
I-11
|
| 18929 |
stuntelen |
hannesen:
hannese (Q193p Gronsveld),
haspelen:
haspele (Q193p Gronsveld)
|
moeizaam met iets bezig zijn zonder veel te vorderen [haspelen, stuntelen, frotten] [N 85 (1981)] || stuntelen
III-1-4
|
| 20847 |
suiker |
suiker:
sôkker (Q193p Gronsveld)
|
suiker
III-2-3
|
| 33230 |
suikerbiet |
suikerkroot:
søkǝrkrōt (Q193p Gronsveld),
sǫkǝrkrōt (Q193p Gronsveld)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris, var. altissima. De suikerbiet is een veredeling van de voederbiet met een groot aandeel suikers in de vaste bestanddelen en dateert van het begin van de twintigste eeuw. De knol groeit helemaal onder de grond en gedijt het best op kleigronden. Het is één van de belangrijkste cultuurgewassen op de leemhoudende gronden in Limburg en levert de grondstoffen voor de stroopfabricage en voor de suikerindustrie in Haspengouw. De volgorde van de varianten is zoals steeds eerst naar het tweede element (biet, kroot, enz.); daarbinnen naar de varianten van suiker-; naar het vocalisme zijn in dit eerst lid drie groepen te onderscheiden, die wijzen op verschillende ontleningslagen, corresponderend aan de Nederlandse (ø̜i̯) van ɛsuikerɛ, aan de Duitse (u) van ɛZuckerɛ en aan de Franse (y) van ɛsucreɛ. [N 12, 37; N 12A, 2; A 13, 2c; A 49, 3; L B2, 361; L 43, 4a; R 3, 97; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 20785 |
suikerbrood |
suikermik:
sokkermik (Q193p Gronsveld),
suckermik (Q193p Gronsveld),
weg:
Dit is een klein met suiker bestrooid wittebroodje.
wek (Q193p Gronsveld)
|
brood waarin suiker gebakken wordt [N 29 (1967)] || Kent uw dialect het woord weg of wig = een wittebrood. A.u.b. ook de dialectvorm van uw plaats opgeven en eventueel de betekenis toelichten. [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20543 |
suikerklontje |
klotje:
klötsje (Q193p Gronsveld),
suikerklotsje:
sôkkerklötsje (Q193p Gronsveld)
|
klontje; Hoe noemt U: Een blokje suiker (klontje) [N 80 (1980)] || suikerklontje
III-2-3
|
| 20358 |
suikeroom |
suikernonk:
sokkernoonk (Q193p Gronsveld),
sókkernoonk (Q193p Gronsveld)
|
erfoom (suikeroom) [DC 05 (1937)] || suikeroom
III-2-2
|
| 20260 |
suikertante |
suikertant:
sokkertant (Q193p Gronsveld)
|
erftante (suikertante) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 17735 |
suizen van de oren |
tuiten:
m oere tuute (Q193p Gronsveld)
|
suizen van de oren [toewte, fluite] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17978 |
sukkelen |
sukkelen:
sukkele (Q193p Gronsveld)
|
Sukkelen: aanhoudend ziek of niet gezond zijn, ziekelijk zijn (kwijpelen, plaaieren, op de sukkelbaan zijn, in het sukkelstraatje zijn). [N 84 (1981)]
III-1-2
|