| 32088 |
meubelmaker |
timmerman:
temǝrman (L366p Gruitrode)
|
Ambachtsman die meubels vervaardigt. [N 55, 166a; L 34, 19b; monogr.]
II-12
|
| 19757 |
meubelstuk, meubel |
meubel:
Hun hiêl miêbel stòngen op stroat
miêbel (L366p Gruitrode)
|
meubel
III-2-1
|
| 21585 |
mevrouw |
madam (<fr.):
Pier géf medame ens ij schuun hendje (L366p Gruitrode),
Piet, geif Madame ins ei schoon hentje (L366p Gruitrode)
|
Piet (Arie), geef madame nu eens een schoon handje [ZND 44 (1946)]
III-3-1
|
| 20123 |
miauwen |
miauwen:
miáu.ə (L366p Gruitrode)
|
miauwen [Goossens 1b (1960)]
III-2-1
|
| 24901 |
middag (s middags) |
middag:
middig (L366p Gruitrode),
s namiddags:
⁄s namiddigs (L366p Gruitrode)
|
in de namiddag [ZND 34 (1940)] || middag [ZND 38 (1942)]
III-4-4
|
| 17839 |
middagdutje doen |
dutten:
dutten (L366p Gruitrode),
een uiltje vangen:
een uiltje vangen (L366p Gruitrode),
ungeren (ww.):
innere (L366p Gruitrode),
ungeren houden:
innere houden (L366p Gruitrode)
|
Hoe noemt ge het wanneer iemand s middags wat gaat slapen ? [ZND 31 (1939)] || middagdutje doen (dutten). [N 84 (1981)] || Slaapje na het middagmaal; middagdutje (noenslaap, middagslaap, dutje, loertje, dutten). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20573 |
middagmaal |
middag, de -:
middig (L366p Gruitrode),
De middig waas nog neet vèrig
middig (L366p Gruitrode)
|
het middagmaal || maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21979 |
middellangeafstandsvlucht |
halve fond:
Algemene opmerking: deze vragenlijst is nogal slecht (= weinig antwoorden) ingevuld!
hauve fond (L366p Gruitrode)
|
middellange afstandsvlucht (tussen 100 en 300 km)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 22478 |
middelste kegel |
koning:
de kiening (L366p Gruitrode)
|
Hoe heet de middelste kegel in het kegelspel? [ZND 36 (1941)]
III-3-2
|
| 34598 |
middelste rongblok |
pulm:
pę.lǝm (L366p Gruitrode)
|
Middelste van de drie rongblokken van een hoogkar of een wagen. De woordtypen pulm, pulf, pulver, pulp en pul staan voor een specifiek rongblok, dat ter versteviging diende en geen rongen had. In het materiaal kwamen vaak benamingen voor die ook bij het meer algemene "rongblok" gegeven waren. Vanwege hun algemene karakter zijn die hier niet meer opgenomen. [N 17, 13b + 44h; JG 1b; JG 1c; JG 1d; JG 2b]
I-13
|