| 32746 |
geerakker |
opholens:
ǫphǭlǝs (L429p Guttecoven)
|
Onder een geerakker wordt hier verstaan dat deel van een akker dat gerend geploegd moet worden als de akker niet de vorm van een rechthoek of een parallellogram heeft. De benaming voor dit onderdeel is niet zelden ook op de gerende akker in zijn geheel toepasselijk. Opgaven die duidelijk de (geometrische) vorm of een scherpe hoek van een akker bleken te betreffen, zijn in dit lemma echter niet opgenomen. Zie verder ook het volgende lemma. [N 11, 4b + 64; N 11A, 127 + 137f + 137g; N P, 1; A 33, 9 add.; A 33, 10; JG 1a + 1b; JG 2b-4, 7; monogr.]
I-1
|
| 17834 |
geeuwen |
gapen:
gape (L429p Guttecoven)
|
gapen [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 20796 |
geeuwhonger |
geeuwhonger:
geehóánger (L429p Guttecoven)
|
geeuwhonger [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 33705 |
gegraven waterloop |
graaf:
grāf (L429p Guttecoven),
gracht:
grax (L429p Guttecoven),
sloot:
šlou̯t (L429p Guttecoven)
|
In het algemeen is in dit lemma sprake van een gegraven waterloop als afscheiding of om overtollig water af te voeren of om te bewateren. In dialectenquêtes zijn er veel vragen gesteld naar de benamingen voor een sloot, graaf of gracht. In de antwoorden bleek veel overlap te zitten. Het gaat hier om waterlopen die verschillend van breedte kunnen zijn. Omdat de antwoorden hierover niet eenduidig waren, was het niet mogelijk aan een begrip een vaste breedte toe te kennen. Algemeen kan men zeggen dat een gracht een bredere sloot is, een graaf een wat bredere, vaak droge sloot, en dat een goot, grub en zouw wat smallere waterlopen zijn. Het overeenkomstige bij alle waterlopen is dat ze gegraven zijn. [N 27, 24; AGV, m1; A 20, 1c; A 20, 1d; A 10, 21; A 2, 48; L 24, 27; L 1a-m; L 36, 4; L A1, 62; Lu 1, 5; R 14, 23j; S 11, 33; monogr.]
I-8
|
| 20692 |
gehakt |
gehakts:
gehaks (L429p Guttecoven)
|
Fijngehakt vlees (bilber?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34425 |
geheel afgeschoren wolvacht |
roof:
rø̜i̯f (L429p Guttecoven),
schapenvacht:
šǭpǝvax (L429p Guttecoven),
vacht:
vax (L429p Guttecoven)
|
De gehele vacht wol van het schaap, wanneer dit geschoren wordt. [N 38, 19; L 41, 37; monogr.]
I-12
|
| 23728 |
geheimen van de rozenkrans |
geheimen:
geheimen (L429p Guttecoven)
|
De geheimen van de Rozenkrans bestaande uit de blijde geheimen, de droevige geheimen en de glorierijke of glorievolle geheimen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17621 |
gehemelte |
gehemelte:
gehemelte (L429p Guttecoven),
raak:
raken (L429p Guttecoven)
|
gehemelte [raak, geemel] [N 10a (1961)] || Hoe noemt men de bovenkant van de mondholte? ( Nederl. gehemelte, verhemelte). [DC 30 (1958)]
III-1-1
|
| 21317 |
gehucht |
gehucht:
gehuch (L429p Guttecoven),
gehug (L429p Guttecoven)
|
een klein dorpje zonder kerk [gehucht, bijval, uithoek] [N 90 (1982)] || gehucht [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 17960 |
gehurkt zitten |
op de hukken zitten:
op de huuke zitte (L429p Guttecoven)
|
hurken, op zijn ~ zitten [op de huuke, op znen huik, op zn huiketjes zitte] [N 10 (1961)]
III-1-2
|