| 29111 |
keren |
draaien:
drɛi̯ǝ (L322p Haelen)
|
Als men heen en weer ploegt, moet men aan het einde van iedere voor het (de) paard(en) met de ploeg laten draaien, om langs de juist geploegde voor verder te ploegen. Bij de modernere wentelploegen wordt bij het draaien het dubbele ploeglichaam omgekeerd. Bij de oude keerploeg moest men bij het keren het riester en gewoonlijk ook het kouter omzetten. [N 11, 63; N 11A, 98f + 98g + 123c; JG 1a; div.; monogr.]
I-1
|
| 23214 |
kerk |
kerk:
hèè waas te vreug in de kerk (L322p Haelen),
hèè waas te vreug inne kerk (L322p Haelen)
|
te vroeg in de kerk zijn [N 08 (1961)]
III-3-3
|
| 20256 |
kerkhof |
kerkhof:
kirkhoaf (L322p Haelen),
pierikenlandje:
(spottend).
peerikkeléndje (L322p Haelen)
|
Kerkhof [kirkuf, doeje kirkuf]. [N 06 (1960)]
III-3-3
|
| 24182 |
kerkuil |
kerkuil:
bijna alle uilen worden ook "tòòrenuul"genoemd
kirkūūl (L322p Haelen),
torenuil:
tòòreuul (L322p Haelen)
|
kerkuil || uil: kerkuil (34 gespikkeld oranje boven, wittig onder; hartvormig gezicht; broedt boven in grote schuren en torens; roep [chchchchchchch] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 34077 |
kern |
leven:
lē̜vǝ (L322p Haelen)
|
Uitsteeksel dat komt bloot te liggen, wanneer de koe een hoorn afstoot. [A 4, 15; L 20, 15]
I-11
|
| 24722 |
kernhout |
hart:
WLD (De o is niet voldoende gedifferentiëerd; vandaar soms –)
hèrt (L322p Haelen)
|
Het binnenste van een boom zonder levend weefsel, donker van kleur (kern, kernhout). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 20703 |
kersenpannenkoek |
kersenkoek:
keersekook (L322p Haelen)
|
Pannekoek met kersen (kersekook?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 22668 |
kerstlied |
kerstliedje:
kersleedje (L322p Haelen)
|
Een lied dat in de kersttijd veel gezonden wordt [leis, kerstliedje]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 22457 |
ketelmuziek |
ketelmuziek:
kaetelmeziek (L322p Haelen),
kaetelmeziek make (L322p Haelen)
|
Het gebruik om een serenade met geïmproviseerde instrumenten te geven aan personen die openbare ergernis geven [tafelen]. [N 88 (1982)] || Het lawaai dat gemaakt wordt met potten, pannen, ketels etc. en dat bij wijze van volksjustitie gemaakt wordt voor de deur van personen die zich misdragen hebben in de ogen van hun dorpsgenoten [blekalbade, belmarkt]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 32783 |
kettingeg, weide-eg |
ketting[eg]:
kęteŋ[eg] (L322p Haelen),
sleep[eg]:
lęi̯p[eg] (L322p Haelen),
slicht:
[slicht] (L322p Haelen)
|
De kettingeg bestaat uit een vier-, soms driehoekig raam of slechts uit een losse voor- en achterbalk, waartussen kettingen gespannen zijn. Aan deze kettingen zijn korte en lichte tanden bevestigd. Zie afb. 13 en 14. Met de kettingeg wordt voornamelijk licht werk verricht. Het bekendst is het gebruik als weide-eg. Men bewerkt de weide met de kettingeg om de grasmat luchtiger te maken, om mest te verspreiden en molshopen te slechten. Men kan de kettingeg ook gebruiken om gerooide en in panden gelegde suikerbieten van de aanklevende aarde te ontdoen. Soms wordt met de kettingeg ook akkerland bewerkt. Van enige termen aan het einde van het lemma vindt men de plaatselijke varianten in het lemma ´akkersleep, weidesleep´ vermeld. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men de toelichting bij het lemma ''eg''. [JG 1a + 1b + 2c; A 13, 16b; A 40, 10; N 11, 72e + 71 add.; N 11A, 163a + 181f; N 14, 81 add.; N J, 10; N P, 18b; monogr.]
I-2
|