| 18058 |
rochelen |
rochelen:
rochele (L322p Haelen)
|
rochelen [klieke, kwalsteren, kwaaieren] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 33478 |
rode aalbes |
miemerten:
Veldeke De vrucht van een aalbessenstruik (bes, zembes, troskesbes, zeebes, bezing, aalbeer, miemer).
miemer(te) (L322p Haelen),
WLD (De o is niet voldoende gedifferentiëerd; vandaar soms –) De vrucht van een aalbessenstruik (bes, zembes, troskesbes, zeebes, bezing, aalbeer, miemer).
mīēmərt (L322p Haelen),
rode miemerten:
rooi miemert (L322p Haelen)
|
[DC 13 (1945)]aalbes [N 82 (1981)]
I-7
|
| 33231 |
rode biet |
kroot:
krǫt (L322p Haelen),
rode kroot:
roi̯ krǭǝt (L322p Haelen),
slakroot:
slāi̯krǫt (L322p Haelen)
|
Beta vulgaris L. var. rubra L. Deze bietensoort hoort eigenlijk onder de groenten uit de moestuin, en daardoor in de aflevering over de boerderij en het erf, maar is toch hier ondergebracht vanwege "lexicale nabijheid" met biet, kroot. De knollen met een doorsnee van 8-10 cm worden gekookt en warm of koud als salade gegeten. De knollen en het kookvocht hebben een felle donkerpaarse kleur. [A 4, 26d; A 13, 2a; A 49, 1b; L 20, 26d; monogr.]
I-5
|
| 33257 |
rode klaver |
rode klee:
rōi̯ǝ [klee] (L322p Haelen),
weiklee:
węi̯[klee] (L322p Haelen)
|
Trifolium pratense L. Een 15 tot 50 cm hoge plant met paarsrode of roze bloemhoofdjes, die van juni tot de herfst bloeien. Rode klaver wordt vooral als veevoeder geteeld. Rode klaver gedijt, overigens evenals witte klaver, het best "onder dekvrucht", d.w.z. dat het tegelijk met een winterkoren wordt gezaaid en dan pas opkomt wanneer die dekvrucht in de herfst is geoogst. In het volgende seizoen wordt de klaver dan geweid of enkele malen gemaaid. Rode klaver is wat "kieskeuriger" dan witte klaver, stelt hogere eisen aan de grond, maar schiet goed recht op en laat zich gemakkelijker maaien. Zie ook de toelichting bij het lemma Klaver, Algemeen. Zie het lemma Klaver, Algemeen voor de fonetische documentatie van de woord(delen) klaver(-) en klee(-). [N 14, 83; monogr.]
I-5
|
| 34033 |
rode koe |
rode koe:
rōǝi̯ [koe] (L322p Haelen)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 124]
I-11
|
| 34034 |
rode koe met geheel witte kop |
witkop:
wetkǫp (L322p Haelen)
|
[N 3A, 125a]
I-11
|
| 20655 |
rode kool |
rood moes:
rôêd moos (L322p Haelen),
rôêd mŏŏs (L322p Haelen)
|
Rode kool (als plant of gewas) [N Q (1966)] || rode kool als gerecht [N Q (1966)]
I-7, III-2-3
|
| 21733 |
roede |
roe(de):
roei (L322p Haelen)
|
een aantal takjes tot een bosje bij elkaar gebonden als strafwerktuig [roe, gips, gisp, roei] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21183 |
roeien |
roeien:
roeie (L322p Haelen)
|
door middel van roeiriemen een vaartuig voortbewegen [roeien, riemen] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21184 |
roeispaan |
spaan:
sjpaan (L322p Haelen)
|
het gereedschap om een vaartuig voort te roeien [riem, roeiriem, roeispaan, spaan] [N 90 (1982)]
III-3-1
|