| 33092 |
korenmijt zetten |
maken:
mākǝ (P048p Halen),
zetten:
zętǝ (P048p Halen)
|
Het maken van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Het object van de overgankelijke werkwoorden is steeds: een korenmijt, of, kortweg, koren. [N 15, 44; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 32536 |
korf |
korf:
kø̜rǝf (P048p Halen)
|
In het algemeen een uit wissen gevlochten en van een hengsel voorziene mand. Zie ook afb. 284. [N 20, 53; N 40, 37; monogr.]
II-12
|
| 18604 |
korset |
corselet (<fr.):
Van Dale: corselet (Fr., verkl. v. Ofr. cors), combinatie van korset en bustehouder. *Van Dale (FN)!
kaslē (P048p Halen),
korset (<fr.):
kərsēij (P048p Halen),
nu zo
kərsē (P048p Halen)
|
korset, rijglijf om de taille [rijlief, rellif, relf, ruls, stiklijst, stiflijk] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 20617 |
korst |
korst:
verzamelfiche, ook materiaal van ZND 01 (a-m vraag 23 a en b zijn samengevoegd.
køͅst (P048p Halen),
korstje:
verzamelfiche, ook materiaal van ZND 01 (a-m vraag 23 a en b zijn samengevoegd.
kəskə (P048p Halen)
|
eerste (verse) en laatste (oudbakken) korst van het brood [ZND 02 (1923)]
III-2-3
|
| 18361 |
kort onderrokje |
hemdje:
həməkə (P048p Halen)
|
onderrokje, kort ~ [piszieëlke, poeprökske] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18330 |
kort schortlint |
noeudje (<fr.):
nøͅükə (P048p Halen)
|
linten, korte ~ waarmee de schortslippen van achteren met elkaar worden verbonden [gatslinte, gatlinter] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18013 |
kortademig |
dempig:
dempig (P048p Halen)
|
hij is dempig (kan moeilijk ademen) [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 18287 |
korte broek |
korte broek:
køtə bruk (P048p Halen),
kətə bruk (P048p Halen)
|
broek, korte (jongens)~ die de knieën onbedekt laat [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18600 |
korte onderbroek? |
onderbroekje:
ondərbrəkskə (P048p Halen),
oͅndərbrykskə (P048p Halen)
|
onderbroek, korte ~ [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18562 |
korte overjas |
jak:
ja.k (P048p Halen)
|
overjas, korte ~ [jekker, joep, stoep, baadje] [N 23 (1964)]
III-1-3
|