| 18147 |
lam |
lammetje:
lɛmǝkǝ (P048p Halen)
|
Jong van het schaap in het algemeen. Zie afbeelding 5. [N 70, 3; R 3, 36; S 20; Wi 5; Wi 12; L 20, 22c; L 6, 25; L 1a-m; JG 1a, 1b; AGV, m 3; A 2, 45; A 2, 1; A 4, 22c; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 34412 |
lammeren |
lammeren:
lamǝrǝ (P048p Halen)
|
Jongen ter wereld brengen, gezegd van het vrouwelijk schaap. [N 19, 67; JG 1a, 1b; L 29, 32; L 1a-m; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 19485 |
lampenpit |
wiek:
wik (P048p Halen, ...
P048p Halen,
P048p Halen),
v. mv. wik\\
wik (P048p Halen)
|
De lampepit (ook wiek geheeten; Fr. mèche) [ZND 17 (1935)] || lampepit [ZND 01 (1922)] || lampepit van katoen in een petroleumlamp (limet, lemmet, lemment, lemmert) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 32822 |
landrol |
wel:
wɛl (P048p Halen)
|
De vroeger houten, later ijzeren rol om aard-kluiten van geploegd land te breken, de akker vlak te maken, het zaad in de aarde vast te drukken, enz. Zie afb. 81 en 82. [JG 1a + 1b; N 11, 86; N 11A, 183 + 185; N J, 10 add.; N P, 20 add.; A 40, 9; monogr.]
I-2
|
| 33787 |
lang ruw haar rond buik en uier |
duivelshaar:
duivelshaar (P048p Halen)
|
Eerste haar dat een veulen verliest. [N 8, 23]
I-9
|
| 18329 |
lang schortlint |
bindel:
bingels (P048p Halen)
|
linten, lange ~ of banden waarmee een voorschoot om het middel wordt geknoopt [binders] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18286 |
lange broek |
lange broek:
la.ŋə bruk (P048p Halen)
|
pantalon, lange broek [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18368 |
lange grijze kous |
jagerskous:
jagerskoͅse (P048p Halen)
|
kousen, lange grijze ~ die door slagers (beenhouwers) over de broekspijpen worden gedragen [beenhouwerskousen] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18599 |
lange onderbroek? |
lange onderbroek:
lang ondərbrŭk (P048p Halen),
onderlijfje:
oͅndərleͅfkə (P048p Halen)
|
onderbroek, lange ~ [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18552 |
lange smalle broekzak |
tas:
teͅs (P048p Halen)
|
zak, lange smalle ~ buiten op de rechter broekspijp waarin een lang mes e.d. wordt weggestoken [bokseschej] [N 23 (1964)]
III-1-3
|