27222 |
handlanger |
main d''oeuvre:
mǝnøvǝr (L286p Hamont
[(Eisden)]
[Winterslag, Waterschei])
|
Niet-geschoolde arbeider die in de mijn meehelpt bij o.a. het vervoer. [N 95, 154]
II-5
|
17662 |
handpalm |
palm:
palm (L286p Hamont, ...
L286p Hamont)
|
palm van de hand [N 10 (1961)]
III-1-1
|
32831 |
handrol, tuinrol |
wel:
wɛl (L286p Hamont)
|
Een kleine rol voor gebruik in de tuin of op een klein perceel; deze rol wordt door een persoon voortgetrokken aan een touw dat op twee plaatsen aan het raam bevestigd is, of aan een met het raam verbonden steel met handgreep. Zie de afb. 85 en 86. [JG 1a; N 11A, 186a; A 40, 9f; div.]
I-2
|
18256 |
handschoen |
haas:
hāwsə (L286p Hamont),
ə por haawsen (L286p Hamont),
ə pōr hāwsən (L286p Hamont),
ən haaws (L286p Hamont),
’n hāws (L286p Hamont),
J. Leenen, Taal- en Tongval VI (1954), p. 118: Hantsche.
hāus (L286p Hamont),
mnl. hantsche < mnl. hantschoe. De onbeklemtoonde lettergreep -sche is verschrompeld tot de s. De korte klinker (a) voor nasaal + s (en oude th) resulteert in het verdwijnen van de n en het ontstaan van een gerekte vocaal (au). Vergelijk met ndl. mond tgo. eng. mouth, ndl. ons tgo. (in sommige) dial. oos/uis. Zie verder Leenen, J. in Taal en Tongval VI, 1954, p.118.
haauws (L286p Hamont),
handschoen:
hāndsxun - ə pōͅr hāndscun (L286p Hamont)
|
een paar handschoenen [ZND 35 (1941)] || handschoen [ZND 35 (1941)] || handschoen - een paar handschoenen [ZND 01u (1924)] || handschoenen, met vier vingers en een duim [vingerwante, haase, hejse] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
18711 |
handschoen zonder vingers |
halfhaas:
haləf hāwsən (L286p Hamont)
|
wanten of handschoenen die de vingers onbedekt laten [meténtjes] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
27545 |
handschoen, handbeschermer |
hands:
hǫwsǝ (L286p Hamont
[(Eisden)]
[Eisden])
|
Handschoen of handbeschermer. Er zijn werkzaamheden waarbij handbeschermingsmiddelen moeten worden gedragen zoals bij ijzertransport en andere waarbij het verboden is om deze middelen te dragen, zoals bij draaiende boren, werken aan bewegende delen van machines of aan- en afkoppelen van wagens (MBK V pag. 139). Lauraders moeten bij hun werk handschoenen dragen. [N 95, 882; N 95, 883]
II-5
|
22879 |
handspel |
hands (eng.):
Hens.
heͅns (L286p Hamont)
|
Hij heeft de bal men de hand aangeraakt, het is ... [DC 49 (1974)]
III-3-2
|
32662 |
handvat aan de ploegstaart |
handvat:
hant˲vat (L286p Hamont),
hãnt˲vat (L286p Hamont)
|
De staart van een voetploeg, een radploeg en de zgn. losse karploeg is voorzien van of eindigt in een handvat, dat de ploeger stevig vasthoudt om te bereiken dat de ploeg de voor goed afsnijdt en niet uit de voor schiet. Aan dat handvat trekt hij de ploeg aan het einde van iedere voor om en houdt hij de (achter)ploeg vast wanneer deze in de sleepstand over de wendakker getrokken wordt. De latere vaste karploegen hebben van achteren ook een handvat. Maar omdat dergelijke ploegen niet echt bestuurd hoeven te worden, is dit handvat vooral dienstig bij het keren en het op nieuw inzetten van de ploeg. [N 11, 31.I.k; N 11A, 84i; JG 1a + 1b; monogr.]
I-1
|
33040 |
handvat van de zicht |
handvat:
hant˲vat (L286p Hamont)
|
De steel van de zicht bestaat uit één stuk hout. Het bovenste deel ervan is scherp gebogen. Dit deel dient als handvat waarmee men de zicht hanteert. Zie de algemene toelichting bij paragraaf 4.2 en afbeelding 5. Vergelijk de lemma''s over de handvatten aan de steel van de zeis (3.2.4 - 3.2.7) in aflevering I.3. In de volgende plaatsen werd hetzelfde antwoord gegeven als voor "steel" (zie het lemma ''steel van de zicht'', 4.3.2): K 278, L 164, 288a, 296, 314, 320, 327, 330, 378, 381, 381b, 422, 426, 429, 431, P 175, Q 14, 15, 33, 71, 90, 93, 96, 99, 121, 197, 198b, 201, 207.' [N 18, 70b; JG 1a, 1b; A 14, 9; L 45, 9; monogr.]
I-4
|
31701 |
handvatten van de trekzaag |
handvatten:
hānt˲vatǝn (L286p Hamont)
|
De twee in het verlengde van het zaagblad van de trekzaag bevestigde handvatten. [N 18, 128a; N 50, 17b]
II-12
|