| 22868 |
sleuteltol |
kokkerel:
koekerel (Q002p Hasselt)
|
Hoe noemde men een dergelijk stuk speelgoed, vroeger wel in sommige streken bekend, dat met behulp van een touw en een houten sleutel in beweging werd gebracht? [Lk 03 (1953)]
III-3-2
|
| 22469 |
sliepuit |
futs, futsla, fitsela:
Waarbij men de wijsvinger onder de neus doorsteekt. Sub futs.
futs, fútslaa, fítselaa (Q002p Hasselt)
|
Sliep uit! Langs je neus! Ik lach je wat!
III-3-2
|
| 31588 |
slijkvanger |
moosplaat:
mō̄ǝsplāt (Q002p Hasselt)
|
Metalen plaat boven de as, tussen het asblok en de binnenzijde van de naaf, die dient als bescherming tegen van het karwiel afvallende modder. [N 17, 68; NG, 50e]
II-11
|
| 18022 |
slijm |
slijmer:
slèè.mer (Q002p Hasselt)
|
slijm
III-1-2
|
| 34180 |
slijm bij de nageboorte |
klein vuil:
klē vø̄ǝl (Q002p Hasselt),
klē vø̜ǝl (Q002p Hasselt),
slijm:
slēm (Q002p Hasselt),
zuivering:
zē̜vǝreŋ (Q002p Hasselt)
|
Kleverige slijm bij de nageboorte. [N 3A, 57b]
I-11
|
| 34163 |
slijmblaas |
slijm:
slēm (Q002p Hasselt),
slē̜m (Q002p Hasselt),
slijmer:
slē̜mǝr (Q002p Hasselt)
|
Gelei-achtige afscheiding uit de schede vóór het kalven. [N 3A, 37]
I-11
|
| 34178 |
slijmkoek |
milt:
miǝlt (Q002p Hasselt),
tong:
tuŋ (Q002p Hasselt)
|
Koekje dat het kalf bij de geboorte in de bek heeft. [N 3A, 56]
I-11
|
| 25353 |
slijpsteen |
slijpsteen:
slē̜.pstīn (Q002p Hasselt)
|
Steen waarop gereedschappen als beitels, schroevendraaiers, etc. geslepen worden; meer in het bijzonder ook de ronde steen die om een spil of as draait en in een slijpstelling of aan een elektrische slijpmachine is bevestigd. Als slijpsteen worden korrelige, zeer harde steensoorten als amaril en carborundum gebruikt. Zij worden geleverd in grove, middel- en fijne korrel. Zie ook afb. 1. [N 33, 271; L 6, 68b; monogr.; div.]
II-11
|
| 32897 |
slijpzand, zavel |
zand:
za.nt (Q002p Hasselt)
|
Het zand (aarde, leem, slijk, modder) waarmee de strekel werd ingesmeerd en dat in het zandblok of de klomp werd meegenomen naar het veld. In enkele plaatsen wordt toegevoegd dat men wat roggemeel door het zand mengde om het stroever te maken: P 115, 118a, 119, 176a, 188, Q 2, 2a, 73, 75, 76, 77, 78, 80 en 188. Ten einde het zand op de juiste manier vochtig te houden werd er in Q 9 appelsap, en in Q 76 en 77 azijn, aan toegevoegd; werd er in L 362, 363 en 367 op gewaterd en in P 176 op gespuugd. Uitdrukkelijk vermeld dat men geen slijpzand gebruikt, werd er in P 192, Q 152, 154, 155, 156, 157, 159 en 168a. Zie ook de andere lemma''s rond de strekel. [JG 1a, 1b; N 80, 83 add.]
I-3
|
| 19282 |
slim |
slim:
slim (Q002p Hasselt)
|
slim, schrander
III-1-4
|