| 32583 |
riek, mestriek |
gaffel:
gafǝl (Q110p Heek)
|
Een riek die vroeger vaak drie, tegenwoordig meestal vier tanden telt en die gebruikt wordt om de stallen uit te mesten, mest te laden en mest te verspreiden op het land, ook om aardappelen te rooien, aardkluiten fijn te maken e.d. Voorzover het materiaal daaromtrent gegevens bevatte, is in dit lemma achter de plaatsnummers melding gemaakt van het aantal tanden dat de (mest)riek ter plaatse telde. Benamingen van de (mest)riek naar het aantal tanden vormen de tweede helft van dit lemma. Niet opgenomen zijn namen voor een drietandige vork, die blijkens de opgave gebruikt werd om graanschoven en/of hooi op te steken, noch benamingen voor de vijf- of zestandige riek die - met of zonder bolletjes aan de tanden - dient om bieten of aardappelen op te scheppen. [N 5A, 50b; N 11, 28; N 11A, 13a + c; N 14, 81 add.; N 18, 23 + a + b; N 18, 24 add.; JG 1a + 1b; A 28, 4a + b; Av 1, III 5; L B2, 242; L 16, 18b; Gi 2, 179; Lu 6, 4a + b; S 29; Gwn 8, 3; Wi 3 add.; div.; monogr.]
I-1
|
| 24512 |
riet |
riet:
reet (Q110p Heek)
|
riet [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 28973 |
rijgen |
trochelen:
trǭxǝlǝ (Q110p Heek)
|
Het voorlopig verbinden van een of twee delen aan elkaar met de rijgsteek, op tafel of op de hand. [N 59, 52b; N 59, 51a; N 59, 51b; N 62, 6; N 62, 7; L 1a-m; L 1u, 41; L B1, 75; Gi 1.IV, 19; MW; S 7; monogr.]
II-7
|
| 25186 |
rijp, rijmx |
rouwvrost:
roevros (Q110p Heek)
|
rijm (op boomen) [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33509 |
rijshout, bonenstaak |
rijs:
riezer (Q110p Heek, ...
Q110p Heek),
bij erwten
ries (Q110p Heek)
|
Erwtenrijzers, twijgen waartegen bepaalde erwten groeien [SGV (1914)] || rijs [SGV (1914)] || rijzen (mv.) [SGV (1914)]
I-7
|
| 33582 |
ringen, randen verwijderen van peulvruchten |
leuten:
luite (Q110p Heek)
|
[SGV (1914)]
I-7
|
| 22865 |
ringrijden, ringsteken |
ringsteken:
rinkstêke (Q110p Heek)
|
ringsteken [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 21214 |
riool |
aag:
aag (Q110p Heek)
|
riool [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 25039 |
ritselen |
ritselen:
ritsele (Q110p Heek),
roezen:
roesje (Q110p Heek),
ruizelen:
(men zegt ook van een dier, dat het, "ruzelt"als zijn haren beginnen uit te vallen).
ruzele (Q110p Heek)
|
ritselen [SGV (1914)]
III-4-4
|