| 31973 |
kruishout |
kruishout:
krȳtshǫwt (L328p Heel)
|
Houten tekengereedschap, bestaande uit een vierkant blokje waar een verstelbaar houten balkje doorheen is gestoken dat met behulp van een spie kan worden vastgeklemd. Zie ook afb. 101. Het kruishout wordt gebruikt om evenwijdige lijnen langs de rand van het werkstuk te trekken en om de afmetingen van de gaten en pennen van een pen-en-gatverbinding af te schrijven. Op het uiteinde van het kruishoutbeen is daartoe een kraspennetje aangebracht. Wanneer het kruishout met het blokje langs de rand van het werkstuk wordt voortbewogen, krast de pin een evenwijdig aan de rand lopende lijn in het hout. Zie voor de etymologie van het woord klitskeer ook het Tongers woordenboek (Stevens 1986), pag. 271, s.v. klïtsk√™er, ø̄kruishout, ritshoutø̄. [N 53, 191a; N G, 17a; monogr.]
II-12
|
| 31976 |
kruishoutbeen |
kruislat:
krȳtslat (L328p Heel)
|
Het houten balkje dat met behulp van een klemspie verschuifbaar is bevestigd in het blok van het kruishout. Op het uiteinde van het kruishoutbeen is een metalen kraspennetje bevestigd. Zie ook afb. 101. [N 53, 191b]
II-12
|
| 31974 |
kruishoutblok |
geleidblokje:
gǝlęjbløkskǝ (L328p Heel)
|
Het vierkante, platte blokje van het kruishout waarin het verstelbare kruishoutbeen met behulp van een klemspie vastgezet kan worden. Zie ook afb. 101. [N 53, 191c]
II-12
|
| 31977 |
kruishoutpin |
kratspin:
kratspen (L328p Heel)
|
Het verticaal staande kraspennetje in het uiteinde van het kruishoutbeen waarmee de lijn in het hout wordt afgeschreven. Zie ook afb. 101. [N 53, 191e]
II-12
|
| 22550 |
kruisjassen (kaartspel) |
kruisen:
kruutse (L328p Heel)
|
Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 23750 |
kruisje aan een kettinkje |
danklied voor de koningin:
danklied voor de koningin (L328p Heel),
kettinkje met kruisje:
kettingske met kruutske (L328p Heel),
kruisje met een kettinkje:
kruutske met ein kettingske (L328p Heel)
|
Een kruisje, aan een kettinkje om de hals gedragen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23717 |
kruisje van de rozenkrans |
kruisje:
kruutske (L328p Heel),
rozenkranskruisje:
roeezekranskruutske (L328p Heel)
|
Het kruisje aan de rozenkrans. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 31958 |
kruiskopschroevendraaier |
kruiskopschroevendraaier:
krȳtskǫpšrūvǝdrɛjǝr (L328p Heel)
|
Schroevendraaier waarvan het blad een kruisvormig uiteinde heeft; hij wordt gebruikt om schroeven met een kruisvormige insnijding in de kop vast of los te draaien. Dit type schroeven wordt in Venray (L 210) en omgeving kruiskopschroef (kryskǫpsxrūf) of kruiskop (kryskǫp) genoemd. Zie ook afb. 91. [N 53, 135; monogr.]
II-12
|
| 23314 |
kruisprocessie |
kruisprocessie (<lat.):
kruutspersessie (L328p Heel),
kruutsprocessie (L328p Heel)
|
De processie die tijdens de kruisdagen gehouden wordt voor een goede oogst, de kruisprocessie . [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23705 |
kruisteken |
kruis:
kruuts (L328p Heel),
kruisteken:
kruutsteike (L328p Heel),
kruutsteiken (L328p Heel)
|
Een kruisteken [kruis, krèùs/kröös, kruus, kruuts, kruusteiken?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|