33393 |
varkenstrog |
trog:
truax (L328p Heel)
|
De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d]
I-6
|
20646 |
varkensvet |
smout:
smoat (L328p Heel),
vet:
vèt (L328p Heel)
|
reuzel [DC 17 (1949)] || smout [SGV (1914)]
III-2-3
|
33396 |
varkenswei |
uitloop:
ūtlø̜i̯p (L328p Heel)
|
De met een houten schutting of prikkeldraad omheinde ruimte in de open lucht waar de varkens lopen. Vaak wordt de boomgaard als varkenswei gebruikt. [N 5A, 61a; N 76, 41a; A 10, 9e]
I-6
|
34366 |
vast varkensvoer |
droogvoer:
drȳǝxvōr (L328p Heel),
korrel:
kǫrǝl (L328p Heel)
|
[N 76, 39; monogr.]
I-12
|
23579 |
vaste misgezangen |
vaste gezangen:
vate gezange (L328p Heel)
|
De vaste misgezangen [Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Agnus Dei]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
34272 |
vaste uitwerpselen |
keutelen:
kø̄tǝlǝ (L328p Heel),
krenten:
krentǝ (L328p Heel),
schaapskeutelen:
šǭpskø̄tǝlǝ (L328p Heel),
schaapskrenten:
šǭpskrentǝ (L328p Heel),
stront:
stronjtj (L328p Heel),
strontj (L328p Heel),
varkenskeutelen:
vɛrkǝskø̄tǝlǝ (L328p Heel),
varkensmest:
vɛrkǝsmɛst (L328p Heel)
|
[N 76, 35; A 9, 24d]In de vragen L 20, 22f en A 4, 22f werd ook gevraagd naar het gebruik van schapenmest. Uit de antwoorden blijkt dat schapenmest kon dienen als bemesting in het algemeen en als weiland- en bloembemesting. Ook vermengde men schapenmest met stalmest. Schapenmest werd wel eens gebruikt om stokbomen in te planten. [N 77, 122; L 20, 22f; A 4, 22f; A9, 24c] || Vaste uitwerpselen van vee. [JG 1a, 1b; A 9, 24e; A 9, 28c; monogr.]
I-11, I-12
|
33363 |
vaste voer- en drinkbak |
krib:
krøp (L328p Heel),
trog:
truǝx (L328p Heel),
trǫx (L328p Heel)
|
De opgemetselde bak of goot, soms in vakken verdeeld, die vóór de koeien langs loopt, waaruit de koeien eten en drinken. De hoogte van de bak verschilt van plaats tot plaats. Het water wordt het laatst in de bak gedaan. De bak is dan meteen schoon. Zie ook het vorige lemma "voer- en drinkgoot" (2.2.14). Zie ook afbeelding 10 bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 37b; N 4, 76; N 5, 96; L 1, a-m; L A1, 174; S 19; Wi 4; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
23938 |
vasten |
vasten:
vaste (L328p Heel, ...
L328p Heel)
|
Het zich geheel of gedeeltelijk onthouden van eten; in het bijzonder: slechts eenmaal per dag een volle maaltijd gebruiken, vasten [vaste, va.ste]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
22648 |
vastenavond |
vastelavond:
vastelaovendj (L328p Heel, ...
L328p Heel),
vasteloaventj (L328p Heel)
|
De zondag vóór Aswoensdag, vastenavond [vasteloaëved]. [N 96C (1989)] || Vastenavond [SGV (1914)]
III-3-2
|
23332 |
vastendag |
vasteldag:
vasteldaag (L328p Heel),
vastendag:
vastedaag (L328p Heel),
vasteedaag (L328p Heel)
|
Een vastendag [vassendag, vasseldag]. [N 96D (1989)] || vastendag [SGV (1914)]
III-3-3
|