| 28442 |
koninginnerooster |
koninginnerooster:
kyǝnǝgenǝryǝstǝr (Q113p Heerlen)
|
Een koninginne- of moerrooster is een rooster dat tussen de bovenste en onderste bak ligt en dat moet verhinderen dat de koningin in de honingkamer komt om daar haar eitjes te leggen. Het rooster moet dus honing en broed scheiden. De openingen in het rooster staan niet toe dat de koningin erdoor heen kruipt, maar zijn wel groot genoeg voor de werkbijen, zodat deze de koningin en het broed kunnen verzorgen. De meest gebruikte uitvoering van het rooster bestaat uit een dunnen zinken of stalen plaat waarin langwerpige gaten van vier millimeter geponst zijn. Daarnaast kent men de zogenaamde staafjesroosters waarbij een aantal ronde metalen staafjes hetzij in een houten raamwerk hetzij met behulp van dikkere metaalstaven tot een rooster gemonteerd zijn. Tot deze soort roosters behoren het Herzogrooster en Amerikaanse uitvoeringen. [N 63, 10l; Ge 37, 31; monogr.]
II-6
|
| 34186 |
koningskop |
draag:
drax (Q113p Heerlen)
|
Uitstulping van de schede in de vorm van een vuistgrote, roze bol. Bij een onvolledige prolapsus vaginae komt een klein deel van schede, namelijk meestal de bovenwand, als een vuistgroot, rood gezwel voor de dag (Berns, blz. 76). Bij een volledig prolapsus vaginae komt de gehele schedewand min of meer te voorschijn. [N 52, 30b; N 3A, 97; N 52, 30a; N 48A, 44a, 44b, 54a en 54d; monogr.]
I-11
|
| 28348 |
koningsstijl |
motorstijl:
mōtǝrštil (Q113p Heerlen
[(Oranje-Nassau I-IV)]
[Maurits])
|
Stijl die wordt gebruikt voor het vastzetten van de schudgootmotor. [monogr.; N 95, 760 add.; N 95, 626 add.]
II-5
|
| 18968 |
konkelen |
konkelen:
zie ook het lemma "konkelfoezen"in WBD dl. III, 3.1 (woordverklaring wijkt inhoudelijk iets af)
kónkələ (Q113p Heerlen)
|
heimelijk invloed aanwenden om zijn doel te bereiken, met slinkse streken aangaan [kronkelen, kuipen, konkelen, foeken, konkelfoeken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21823 |
konkelfoezen (wbd) |
smoezen:
Van Dale: smoezen, I.2. bedekt en zacht met iem. praten vooral ten koste van iemand anders.
sjmōēzə (Q113p Heerlen),
wiespelen:
wĭĕsjpələ (Q113p Heerlen)
|
verdacht en zachtjes met elkaar zitten te praten [smoezen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 28267 |
kooiafdeling, kooivak |
vaarschacht:
vāršax (Q113p Heerlen
[(Emma)]
[Laura, Julia])
|
Het gedeelte van de schacht waar het transport met behulp van liftkooien plaatsvindt. [N 95, 86; monogr.]
II-5
|
| 28256 |
kooiafsluiting |
slietstang:
šlētštaŋ (Q113p Heerlen
[(Oranje-Nassau I-IV)]
[Maurits]),
stangbarrière:
štaŋbarǝjēr (Q113p Heerlen
[(Emma)]
[Domaniale])
|
Algemene benaming voor de afsluiting van een liftkooi. Volgens de invuller uit Q 15 bezaten de hoofdschachten hekken die via een luchtdruksysteem de schacht afsloten. Een liftkooi was steeds voorzien van deurtjes die alleen van buitenaf gesloten of geopend konden worden. Zie ook het lemma Liftpersoneel. De "stang" uit Q 121 was een scharnierende, ijzeren stang in de liftkooi, waarop men met de ellebogen kon leunen (Lochtman pag. 55). [N 95, 100; monogr.]
II-5
|
| 19416 |
kookkachel, fornuis |
fornuis:
forneus (Q113p Heerlen),
furnø̄s (Q113p Heerlen),
vuur:
vy(3)̄r (Q113p Heerlen)
|
fornuis [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 19526 |
kookpot |
ketel:
algemeen
kéētel (Q113p Heerlen),
marmiet:
niet in betekenis van koperen waterketel zie 17
mamiet (Q113p Heerlen)
|
berremiet/ marmiet, in de betekenis van koperen waterketel; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || pot, metalen ~; inventarisatie benamingen (tutpot, pappot, trekpot, braajpot); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20584 |
kooksel |
gekookts, het -:
gekòks (Q113p Heerlen),
kook, de -:
kaoək (Q113p Heerlen)
|
kooksel; Hoe noemt U: Het gekookte, het kooksel (kokenage, kook, zooi) [N 80 (1980)]
III-2-3
|