| 31369 |
schaafbank, schaafmachine |
schaaf:
šāf (L330p Herten),
schaafbank:
šāf˱baŋk (L330p Herten)
|
De werkbank of machine voor het schaven van metaal. Schaafbanken werden door de smid gebruikt bij het bewerken van platte vlakken van middelmatige breedte en lengte (Kuyper, pag. 297). Grotere voorwerpen werden vooral met behulp van een schaafmachine bewerkt. Dit werktuig was volgens verschillende respondenten niet typisch voor een smederij; het werd vooral aangetroffen in fabrieken om machinedelen zuiver vlak te schaven. [N 33, 287; N 33, 348]
II-11
|
| 31815 |
schaafbeitel |
snede:
šnēj (L330p Herten),
snijbeitel:
šnibęjtǝl (L330p Herten)
|
De snijdende beitel van de houtschaaf, die met een spie in het schaafblok vastgeklemd zit en een beetje uitsteekt buiten de schaafzool. Zie ook afb. 31c. Veel schaafbeitels zijn aan de bovenzijde verbonden met een keerbeitel. Zie ook het volgende lemma. [N 53, 54f; monogr.]
II-12
|
| 31819 |
schaafbek |
wijde kant:
wījǝ kantj (L330p Herten)
|
De opening in het schaafblok waarin de schaaf en de keerbeitel met een spie zijn vastgezet en waardoor de schaafkrullen naar boven komen. Onderaan vernauwt de schaafbek zich tot een gleuf, waar de schaafbeitel doorheen steekt. Zie ook afb. 31g. [N 53, 54d]
II-12
|
| 31811 |
schaafblok |
blok:
blǫk (L330p Herten)
|
Het min of meer rechthoekige blok van de houtschaaf waarin de schaafbeitel met een spie wordt vastgezet. Zie ook afb. 31a. [N 53, 54c; monogr.]
II-12
|
| 31869 |
schaafgolf |
uitstoter:
ūtštōtǝr (L330p Herten)
|
Oneffenheid in het geschaafde hout, bestaande uit een te diep of te ondiep geschaafde plek. [N 53, 123]
II-12
|
| 31870 |
schaafmachine |
schaafmachine:
šāfmǝšīn (L330p Herten)
|
De algemene benaming voor de machine waarmee hout mechanisch wordt geschaafd. Er bestaan verschillende schaafmachines, zoals de vlakbank, de vandiktebank en de viervlakmachine. Zie ook deze lemmata. [N 53, 85a]
II-12
|
| 31817 |
schaafspie |
spie/spij:
špi (L330p Herten),
špij (L330p Herten)
|
De houten spie waarmee schaafbeitel en keerbeitel in het houten schaafblok worden vastgeklemd. Zie ook afb. 31e. [N 53, 54h; monogr.]
II-12
|
| 31808 |
schaafstreek |
schaafstreek:
šāfštrēk (L330p Herten),
schavenstreek:
šāvǝštrēk (L330p Herten)
|
Een strijkende beweging met de schaaf over het hout. [N 53, 121]
II-12
|
| 31812 |
schaafzool |
onderkant:
oŋǝrkantj (L330p Herten),
zool:
zǭl (L330p Herten)
|
De onderzijde van een houtschaaf. Afhankelijk van het soort schaaf en de werkzaamheden die ermee moeten worden uitgevoerd, is de zool vlak, bol, hol of geprofileerd. Zie ook afb. 31b. [N 53, 54a; monogr.]
II-12
|
| 34539 |
schaal van een ei |
eierschaal:
ē̜i̯ǝršāl (L330p Herten),
schaal:
sxāl (L330p Herten)
|
Het kalkachtige omhulsel van een ei. Onder het woordtype schaal verbergen zich twee verschillende woorden, die in het Nederlands zijn samengevallen, doordat de Westgermaanse ā van het eerste woord, dat "komvormig voorwerp" betekende, en de Westgermaanse a in open lettergreep van het tweede woord, dat "omhulsel" betekende, beide een lange ā opleveren. De meeste Limburgse dialecten onderscheiden echter nog steeds deze twee historische klinkers. In de westelijke helft van Belgisch Limburg (gebied I) heeft ''schaal'' "eierschaal" een vocalisme dat Westgermaanse ā voortzet, in de oostelijke helft, in heel Nederlands Limburg evenals in het noordoosten van de provincie Luik (gebied II) een dat Westgermaanse a in open lettergreep voortzet. In dat oostelijke gebied is daarnaast ook schaal met oude ā vaak bekend, maar het betekent er "groot, plat bord", "collecteschaal" of "weegschaal". In enkele noordwestelijke Belgisch Limburgse dialecten heeft algehele (gebied III) of gedeeltelijke (gebied IV) samenval van ā en a in open lettergreep plaatsgevonden, zodat er niet kan worden uitgemaakt op welke van de twee oorspronkelijk verschillende woorden het woordtype schaal er teruggaat. Zie hiervoor in de bibliografie Goossens 1967. Enkele Nederlands Limburgse gegevens bevatten een historische ā. Blijkbaar gaat het hier om verwarring met het woord ''schaal'' voor "schotel".' [N 19, 55a; JG 1b, 1c, 2c; A 39, 9a; A 39, 9b; monogr.]
I-12
|