| 24313 |
engerling, larve van de meikever |
spekmade:
spekmaai (K360p Heusden)
|
engerling, meikeverlarve [ZND 34 (1940)]
III-4-2
|
| 17775 |
enkel |
enkel:
ich hem menen inkel kapot gestuten (K360p Heusden)
|
ik heb mijn enkel stuk gestooten [ZND 01u (1924)]
III-1-1
|
| 33605 |
enten |
griffelen:
grefələ (K360p Heusden),
griffelen (K360p Heusden),
gruffelen:
gruffelen (K360p Heusden)
|
[RND 08] [ZND 34 (1940)]
I-7
|
| 28827 |
entre-deux |
entre-deux:
entre-deux (K360p Heusden)
|
Kanten tussenzetsel in een gordijn, een schort, een kleed enz. [N 62, 81b; N 62, 81a; L 35, 5]
II-7
|
| 33610 |
erf |
boerengeleg:
būrəgəliəx (K360p Heusden),
boerenhof:
būrənhōͅf (K360p Heusden)
|
I-7
|
| 18837 |
ernstig |
gemeend:
gemend (K360p Heusden),
menens:
mènens (K360p Heusden),
serieus:
serieus (K360p Heusden)
|
het is ernstig bedoeld; het is menens [ZND 38 (1942)]
III-1-4
|
| 33278 |
erwt, algemeen |
erwt:
ɛrt (K360p Heusden)
|
Pisum L. Hier de algemene benaming voor de erwt (enkelvoud), voorafgaand aan de benaming voor de akkererwt (lemma Kapucijner, Velderwt) en aan de andere erwtensoorten (tuinerwt, doperwt, peulerwt, enz.) die in de moestuin worden gekweekt en die derhalve in de aflevering over de moestuin ter sprake zullen komen. [N 27, 2b; JG 1a, 1b; L A1, 121; L 34, 94; Wi 8; monogr.; add. uit N P, 24]
I-5
|
| 20855 |
eten (ww.) |
eten:
jeetə (K360p Heusden)
|
eten [RND]
III-2-3
|
| 20719 |
etensresten |
afval:
afval (K360p Heusden),
greumels:
greumels (K360p Heusden)
|
hoe heten de resten van het eten van mensen [ZND 34 (1940)]
III-2-3
|
| 18047 |
etter |
materie:
mateerie (K360p Heusden)
|
etter (van een wonde, enz.) [ZND 01u (1924)]
III-1-2
|