| 33261 |
klaverzaad |
kleezaad:
kliǝzǭt (L292p Heythuysen)
|
Het zeer fijne zaad van klaver. In L 292 en 320a zegt men: ɛklaverzaad gaan verkopenɛ voor: "te biechten gaan".
I-5
|
| 18171 |
kledij, kleren |
kledage:
kléjaazie (L292p Heythuysen),
t dinge, ploete, lijnwaad, kluft]:
kléjer (L292p Heythuysen)
|
kleding, kledij (verzamelnaam) [kleerazie, klejaasj] [N 23 (1964)] || kleren, kledingstukken [kleer [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18285 |
kleerborstel |
borstel:
borstel (L292p Heythuysen),
börstel (L292p Heythuysen)
|
Kleerborstel. Hoe noemt men het hierboven afgebeelde voorwerp, dat wordt gebruikt om stof uit kleren, stoelbekleding, gordijnen enz. te verwijderen? [DC 15 (1947)]
III-1-3
|
| 19389 |
kleerhanger |
klederhanger:
kleierhanger (L292p Heythuysen)
|
Een gebogen hout met een haak om kleren op te hangen (kleerhanger, kapstok) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 24446 |
kleerluis |
mot:
mot (L292p Heythuysen)
|
kleerluis die eieren legt in de naden van vuile onderkleren [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 25009 |
klein in zijn soort |
murps:
⁄n mŭrps (L292p Heythuysen)
|
iets dat klein is in zijn soort [piepeling, ruigte, geneuk] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 33746 |
klein paard |
pony:
pǫni (L292p Heythuysen)
|
Bedoeld is een paard dat lichter is dan een gewoon boerenpaard en dat men in de koets kan spannen. Een pony is lichter dan een bidet, die op zijn beurt niet zo zwaar als een ardenner is (P 49). Een dubbele pony is zwaarder dan een (enkele) pony of bidet (L 424). Een bidet, iets groter dan een pony, dient veelal als loop- en koetspaard (P 192, Q 168, 242). Een hit - waarbij eveneens een onderscheid tussen enkele en dubbele hit wordt gemaakt - kan vergeleken worden met een pony of bidet. Een ardenner is kort, dik en gedrongen (P 46), groter dan een pony maar kleiner dan een gewoon paard. Uit de antwoorden blijkt een sterke wisseling van de accentuering in pony en bidet. Pony met initiaal accent is aan het Nederlands, met finaal acent aan het Franse poney ontleend. De beginaccentuering in bidet gaat op een autonome ontwikkeling in de dialecten terug. Buiten de genoemde termen komen er nog een vrij groot aantal andere voor. Zie afbeelding 1. [JG la, lb, lc, 2c; N 8, 62a, 62b, 62c en 62d; A 4, 3; L 20, 90]
I-9
|
| 25159 |
klein wolkje |
wolkje:
wölkskə (L292p Heythuysen)
|
klein wolkje [oliester] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 20349 |
kleindochter |
kind van mijn dochter:
kiendj van mien dòchter (L292p Heythuysen),
kleindochter:
kleindochter (L292p Heythuysen),
zeldzaam
kleindochter (L292p Heythuysen)
|
kleindochter [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 33318 |
kleine boerderij |
boerderijtje:
bōrdǝrii̯kǝ (L292p Heythuysen),
keuterbedrijf:
kø̄tǝlbǝdrīf (L292p Heythuysen),
keuterboerderij:
kø̜̄tǝrbōrdǝrii̯ (L292p Heythuysen)
|
Bij keuterij, e.d. in het noorden van de Nederlandse provicie wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de keuterboer gewoonlijk ook in dagloondienst is en géén paard bezit; zijn grond beslaat niet meer dan drie tot vijf hectaren. Ook hier vindt men, naast specifieke terminologie met name met het element keuter, ook veel omschrijvende benamingen met klein en diminutiva. Voor de fonetische documentatie van het type boerderij, zie het lemma "Boerderij, algemeen" (1.1.1). [A 10, 2c; A 30A, 3a, 3b en 3d; L 22, 1b; monogr.; add. uit L 38, 22]
I-6
|