| 34256 |
kneden |
kneden:
knaǝi̯ǝ (L292p Heythuysen)
|
De boter kneden om de melk, die zich nog tussen de boterdeeltjes bevindt, eruit te drukken. In sommige gebieden werd de boter tegelijkertijd gewassen. Zie voor de fonetische documentatie van (boter) en (botter) het lemma ''boter'' (12.14) in deze aflevering. [A 28, 7; L 1a-m; L 1u, 114; L 6, 7; L 22, 8; Ge 22, 8 en 69; R 3, 76 en 77; monogr.]
I-11
|
| 17921 |
knellen |
knellen:
knellen (L292p Heythuysen),
nijpen:
niepe (L292p Heythuysen),
wringen:
wringen (L292p Heythuysen)
|
Knellen: stijf drukken zodat daardoor een striem ontstaat (knellen, knijpen, duwen, wringen, klemmen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18174 |
knellen, gezegd van schoenen |
duwen:
duje (L292p Heythuysen),
knellen:
knellen (L292p Heythuysen)
|
drukken en daardoor pijn veroorzaken, gezegd van schoenen die te klein zijn [knellen, klemmen, drukken] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 24186 |
kneu |
heikneuter:
#NAME?
heikneuter (L292p Heythuysen),
vlasvink:
vlasvink (L292p Heythuysen)
|
kneu
III-4-1
|
| 26318 |
kneveltouw |
kroptouw:
krǫptǫw (L292p Heythuysen)
|
Het gesplitste touw onderaan de luireep of de strop of lus waaraan men de zak bevestigt. De watermolen in Q 99* had aan het uiteinde van de luiketting een kwast die bestond uit roffelen (røfǝlǝ) en franjelen (frānjǝlǝ). [N O, 25f; Jan 233 add.; A 42A, 44 add.]
II-3
|
| 17677 |
knie |
knie:
kni (L292p Heythuysen)
|
knie [RND]
III-1-1
|
| 27552 |
kniebeschermer |
knie-/knijbeschermer:
knibǝšɛrmǝr (L292p Heythuysen)
|
Rubber of leren kapje dat ter bescherming over de knie wordt gedragen. De kniebeschermer wordt volgens de invuller uit L 330 vooral gebruikt tijdens het leggen van vloeren in gebouwen. [N 30, 6b; monogr.]
II-9
|
| 18874 |
kniezen |
kniezen:
kniezen (L292p Heythuysen)
|
een knagend verdriet hebben en zichzelf daarvoor als ongelukkig beklagen [treuren, kniezen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17920 |
knijpen |
nijpen:
niepe (L292p Heythuysen),
niepen (L292p Heythuysen)
|
Knellen: stijf drukken zodat daardoor een striem ontstaat (knellen, knijpen, duwen, wringen, klemmen). [N 84 (1981)] || Knijpen: vel of vlees met de vingers samenknijpen; drukken (nijpen, knijpen, pitsen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22363 |
knikker |
kuls:
köls (L292p Heythuysen),
Zie Crompvoets, H. (1991), [De regionale toptiens van dialectwoorden en -begrippen.]: Limburg. In: H. Crompvoets en A. Dams (red.), Kroesels op de bozzem. Het Dialectenboek. Waalre: Stichting Nederlandse Dialecten, blz. 122-136 [blz. 123].
köls (L292p Heythuysen)
|
knikker [SND (1991)] || Knikker.
III-3-2
|