| 30142 |
koppenlaag |
kopse laag:
kǫpsǝ lǭx (L292p Heythuysen),
patijtse laag:
pastītsǝ lǭx (L292p Heythuysen)
|
Laag in hun breedterichting liggende bakstenen. Zie ook afb. 38 en 41. [N 31, 23b; monogr.]
II-9
|
| 30069 |
koppenmaat |
koppenmaat:
kǫpǝmǭt (L292p Heythuysen)
|
De breedte van één steenkop plus één stootvoeg. In Q 97 bedroeg deze eenheid ¬± 11,5 cm. Zie ook het lemma 'Kop' in wld ii.8, pag. 76 en afb. 28 en 41. [N 31, 8b]
II-9
|
| 30133 |
koppenverband |
halfsteens verband:
halǝfštęjns ˲vǝrbantj (L292p Heythuysen),
koppenverband:
kǫpǝvǝrbantj (L292p Heythuysen)
|
Metselverband waarbij alle stenen in een laag met de kop in zicht komen. De steen ligt daarbij op zijn platte kant. Zie ook afb. 38. [N 31, 24b]
II-9
|
| 19325 |
koppig |
eigenwijs:
eigenwies (L292p Heythuysen),
steegs:
stēxs (L292p Heythuysen)
|
[JG 1a; A 48A, 41a; N 8, 64h]vasthoudend aan eigen wil of inzicht [koppig, steeg, kop] [N 85 (1981)]
I-9, III-1-4
|
| 19326 |
koppig zijn |
koppen:
koppen (L292p Heythuysen)
|
koppig zijn, steeds vasthoudend aan eigen wil of inzicht [bokken, koppen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 26164 |
kopspie |
assekopspieën:
assekopspieën (L292p Heythuysen),
kijlen:
kijlen (L292p Heythuysen)
|
De wiggen waarmee de roeden aan de voorzijde in de askop worden vastgezet. [N O, 3c; A 42A, 77]
II-3
|
| 20109 |
korenbloem |
korenbloem:
korǝblōm (L292p Heythuysen),
-
korebloom (L292p Heythuysen),
kôrebloom (L292p Heythuysen)
|
Centaurea Cyanus L. Een niet meer zo algemeen voorkomende plant met blauwe bloemen, een spinselachtig behaarde stengel en dunne lancetvormige bladeren, die groeit in korenvelden, op zandgronden en in bermen. De plant bloeit van juni tot augustus en varieert in hoogte van 30 tot 60 cm. [A 13, 14; L 34, 31; monogr.; add. uit JG 1b] || korenbloem [DC 13 (1945)]
I-5, III-4-3
|
| 32536 |
korf |
korf:
kǫrǝf (L292p Heythuysen)
|
In het algemeen een uit wissen gevlochten en van een hengsel voorziene mand. Zie ook afb. 284. [N 20, 53; N 40, 37; monogr.]
II-12
|
| 24539 |
kornoelje (alg.) |
konkernoelje:
kŏnkermoelie (L292p Heythuysen)
|
De kornoelje. Gele kornoelje me gele bloemen en karmijnrode vruchten, 3-7 m hoog; de geelbruine schors schilfert in kleine schubben af. [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 20617 |
korst |
korst:
korst (L292p Heythuysen)
|
korst; de harde buitenkant van kaas, brood, een pasteitje noemt men in het Nederlands korst. Gebruikt men dit in uw dialect ook? Zo ja, hoe wordt het uitgesproken? [DC 44 (1969)]
III-2-3
|