| 19031 |
lastig kind |
nest:
⁄n nest (L292p Heythuysen)
|
een kind met een lastig karakter [nest, bernuizig kind, erg] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19289 |
lastig zijn |
vervelen:
vervelen (L292p Heythuysen)
|
tot last zijn, kwelling veroorzaken [vervelen, klieren, sarren, tergen, hengelen, kneuten, kneuteren, donderjagen, moesjanken,vernooien, verleden] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21812 |
lastigvallen |
hinderen:
hinderen (L292p Heythuysen),
plagen:
plagen (L292p Heythuysen)
|
iemand bij zijn werk storen of ophouden [plagen, steken, hinderen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 30234 |
latei |
betonlatei:
bǝtǫnlatęj (L292p Heythuysen),
ijzerlatei:
īzǝrlatęj (L292p Heythuysen)
|
Houten, stenen of ijzeren balk die een venster, ingang of andere opening overspant en tevens het bovenliggende muurwerk draagt. De lateibalk wordt vaak in het muurwerk verwerkt zodat hij niet in het zicht komt. d.i.n. in het woordtype 'd.i.n.-balk' is een afkorting van ø̄deutsche Industrienormø̄. [N 55, 74; N 32, 15a; N 32, 15b; monogr.]
II-9
|
| 25735 |
laten trekken |
laten dijen:
lǭtǝ dęjǝ (L292p Heythuysen)
|
Het beslag goed laten trekken zodat de versuikering plaatsvindt en de eiwitten omgezet worden. Het werkwoord "laten" werd door de meeste respondenten niet vermeld. [N 35, 38]
II-2
|
| 25035 |
lawaai, herrie |
laweit:
laweit (L292p Heythuysen),
spektakel:
spektakel (L292p Heythuysen)
|
een dooreenmengeling van sterke geluiden [leven, herrie, geweld, lawaai, spektakel, rumoer] [N 91 (1982)] || lawaai, herrie maken [laweiten, laweit maken, gellen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18356 |
lederen pantoffel |
pantoffel:
pantoefels (L292p Heythuysen),
slof:
sjloefe (L292p Heythuysen)
|
pantoffels, lederen ~, gemakkelijke huisschoenen zonder veters [petoffels, pantoefels, trumpe, sjlutsje, sloffe, sjloebe] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 19391 |
ledikant |
bed:
bed (L292p Heythuysen),
krib:
krub (L292p Heythuysen)
|
Verplaatsbaar bed (i.p.v. een bedstee) (bed, krib, ledikant) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 24973 |
leeg, niets bevattend |
leeg:
lèg (L292p Heythuysen),
uitgestorven (ruimte):
oetgestorven (L292p Heythuysen)
|
niets bevattende, gezegd van bijv. een fles, een kan, een kopje, een vertrek etc. [leeg, ijdel, ijl] [N 91 (1982)] || waar niemand aanwezig is, leeg [wepel, verlaten] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18920 |
leegloper |
leegloper:
lègluiper (L292p Heythuysen)
|
een persoon die zonder iets te verrichten en zonder bezigheden rondloopt [leuteraar, leegloper] [N 85 (1981)]
III-1-4
|