| 20514 |
leverworst |
leverworst:
lèverworst (L292p Heythuysen),
lèèverworst (L292p Heythuysen),
lééverworst (L292p Heythuysen),
léévərwòrst (L292p Heythuysen)
|
leverworst [N 06 (1960)] || leverworst; Hoe noemt U: Worst met lever als hoofdbestanddeel (lol, leverworst, leverpens) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24342 |
libel en waterjuffer |
glasmaker:
glaasmaeker (L292p Heythuysen),
glassnijder:
glaasšneijer (L292p Heythuysen),
hooiwever:
huijwèver (L292p Heythuysen)
|
libel, alg. [DC 27 (1955)] || libel, waterjuffer
III-4-2
|
| 26527 |
licht, steenlicht |
lichtwerk:
lichtwerk (L292p Heythuysen)
|
De inrichting waarmee de loper in verticale richting versteld kan worden om de afstand tot de onderste steen te regelen. De taats van het staakijzer of de kleine spil rust daartoe in een taatspot. In oudere molens is deze pot bevestigd op een zware balk, de vonderbalk. Deze balk scharniert aan één zijde in de houtconstructie van de molen, aan de andere zijde wordt hij omhooggehouden met een hefboom, bestaande uit een lichtijzer en een lichtboom met daaraan een koord of ketting en een gewicht. Later werd dit type lichtwerk vooral in watermolens vervangen door een ijzeren systeem. Daarbij staat de taatspot op een ijzeren lat die door middel van een regelrad op en neer geschroefd kan worden (Janssen, pag. 88/89). Zie ook afb. 85. Blijkens de opgaven is licht in P 53 en P 56 onzijdig. [N 0,23a; A 42A, 30; Sche 58; Vds 109; Jan 139; Coe 120; Grof 142; N O, 23p; monogr.; Vld]
II-3
|
| 26538 |
lichtboom |
licht:
licht (L292p Heythuysen),
lichtbalk:
lichtbalk (L292p Heythuysen)
|
De hefboom waaraan aan één uiteinde het lichttouw is bevestigd; met het andere uiteinde is de lichtboom aan het lichtijzer vastgemaakt. Zie ook afb. 85. [N O, 23e; A 42 A , 27; Vds 111; Jan 145; N D, 22]
II-3
|
| 25239 |
lichte nevel |
nevel:
nevel (L292p Heythuysen)
|
lichte nevel die het zicht vertroebelt [donst, dook, blaok] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 18571 |
lichte overjas |
seizoensjas:
seizoensjas (L292p Heythuysen)
|
herenoverjas, lichte ~ [sertoe] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 19353 |
lichtgeraakt, kregel |
opvliegend:
opvliegend (L292p Heythuysen)
|
spoedig boos of driftig wordend [krikkelig, nippig, kregel, kriel, oplopig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 26539 |
lichttouw, lichtkoord |
lichtriem:
lichtriem (L292p Heythuysen)
|
Het touw, de riem of de ketting waarmee de licht in werking wordt gesteld. Zie ook afb. 85. [N O, 23f; A 42A, 28; Vds 112; Jan 146; Coe 130; N D, 33 add.]
II-3
|
| 22750 |
lied, liedje |
liedje:
le.tsjə (L292p Heythuysen)
|
liedje [RND]
III-3-2
|
| 19061 |
liefde |
hart:
hert hebben veur (L292p Heythuysen)
|
warme genegenheid of gehechtheid aan een persoon of zaak [liefde, hart] [N 85 (1981)]
III-3-1
|