| 21348 |
nors |
bars:
bars (L292p Heythuysen),
zuur:
zoor (L292p Heythuysen)
|
onvriendelijk, stuurs, nors, bars [aling, strak, grenniog, stom, bars, stuurs, nors, zuur] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 33559 |
notenboom |
notenboom:
-
naoteboum (L292p Heythuysen)
|
okkernoot [DC 17 (1949)]
I-7
|
| 33501 |
notendop |
bast:
bast (L292p Heythuysen)
|
De harde huid van een noot (bast, bolster, sloester, schaal, hulster, boost, bluster, boets, schulp, schelp, snoester). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 18938 |
obstakel |
mishand:
mishand (L292p Heythuysen)
|
iets dat het tot een einde brengen van een handeling in de weg staat [ongerief, mishand] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24903 |
ochtend (vanmorgen |
de tijdsduur van het aanbreken van de dag tot 12 uur s middags [morgend, morgen, voornoen, ochtend]:
⁄s murgens (L292p Heythuysen)
|
s morgens) [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24947 |
oever |
boord:
baord (L292p Heythuysen),
baort (L292p Heythuysen),
kant:
kantj (L292p Heythuysen)
|
oever [DC 02 (1932)] || oever, zoom van het land aan elk van de beide zijden van het water van een rivier, meer enz [kant, wal] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 32574 |
ogenschijnlijk goed bemesten |
een scholkje voordoen:
ǝn šø̜lǝkskǝ vø̜̄rdōn (L292p Heythuysen)
|
Een akker bij gebrek aan mest of uit zuinigheid alleen aan de kanten of aan de zijde van de weg goed bemesten, om later het daar goed gedijende gewas de indruk te laten wekken, dat het stuk in zijn geheel goed bemest werd. [N 11A, 32]
I-1
|
| 33558 |
okkernoot |
noot:
-
naot (L292p Heythuysen)
|
okkernoot, vrucht van [DC 17 (1949)]
I-7
|
| 20547 |
olie |
olie:
aolĭĕ (L292p Heythuysen),
sla-olie:
sla-olie (L292p Heythuysen)
|
olie; Hoe noemt U: De vette vloeistof die b.v. gebruikt wordt bij het aanmaken van sla of het braden van vlees (smout, olie) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17916 |
omarmen |
omarmen:
omermen (L292p Heythuysen),
omarmvollen:
omervĕlen (L292p Heythuysen),
omspannen:
omspanne (L292p Heythuysen)
|
omvatten, Met gestrekte armen ~ (vademen, omvademen, spannen, omarmen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|