| 23913 |
schijnheilig |
schijnheilig:
sjeinhēēlig (Q039p Hoensbroek),
sjieënhillig (Q039p Hoensbroek)
|
Schijnheilig [schienhèllig]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 32787 |
schijveneg, vleugeleg |
schijven[eg]:
šīvǝ(n)[eg] (Q039p Hoensbroek)
|
Een schijveneg is eigenlijk geen eg in de oorspronkelijke zin van het woord. Het is een dooreen tractor of door twee paarden getrokken werktuig, dat in wezen bestaat uit een aantal schotelvormige schijven, verdeeld over twee assen die met elkaar een verstelbare stompe hoek vormen. Zie afb. 65. Doordat de schijven schuin staan ten opzichte van de trekrichting, snijden ze met hun randen wringend door de grond. De grond wordt zo losgemaakt en verkruimeld. In dit lemma zijn ook termen opgenomen die verkregen werden door de woordvraag vleugeleg. Dat schijnt een op de schijveneg gelijkend werktuig te zijn, dat in plaats van geheel ronde, sterk gekartelde schijven ("schotels met happen eruit") heeft. Zie afb. 66. Hoe ''eg'' en ''eg'' moeten worden opgevat, is aangegeven in het lemma ''eg''. Voor het variantgedeelte ''wel'' zie men het lemma ''landrol''. [N 11, 72f + h; N 11A, 153 + 169d + h; N J, 10; A 13, 16b; div.; monogr.]
I-2
|
| 21891 |
schikken (wbd) |
eens worden:
eens worden (Q039p Hoensbroek),
overeenkomen:
euvereinkomme (Q039p Hoensbroek)
|
met elkaar tot overeenstemming komen bij een erfenis [schevelen, belen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 33496 |
schil van een vrucht |
schil:
de sjel (Q039p Hoensbroek),
ideosyncr.
schil (Q039p Hoensbroek)
|
De zachte huid van een vrucht (schil, schel, pel). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 30196 |
schild |
schild:
šelt (Q039p Hoensbroek)
|
Elk van de twee driehoekige dakzijden van een schilddak. [N 4A, 23b; N 32, 48 add.]
II-9
|
| 30195 |
schilddak |
schilddak:
šelt˱dāk (Q039p Hoensbroek)
|
Dak bestaande uit vier schilden. Een schilddak kent dus geen topgevels. Zie ook afb. 48a-b. [N 4A, 24a; div.]
II-9
|
| 25070 |
schilfer |
schilfer:
ein schilver (Q039p Hoensbroek),
schilfer (Q039p Hoensbroek)
|
een dun, afgebroken of loslatend blaadje van een harde of droge stof, bijv. gezegd van kalk of roest [bluster, vel, schilver] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 19532 |
schilmesje, aardappelmesje |
aardappelmetsje:
eerpelmetske (Q039p Hoensbroek),
schilmetsje:
sjelmetske (Q039p Hoensbroek)
|
mes waarmee aardappelen worden geschild [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 21086 |
schimmel |
schimmel:
šømǝl (Q039p Hoensbroek),
voesschimmel:
vusšømǝl (Q039p Hoensbroek)
|
Paard met een geheel of overheersend witte of grijsachtige vacht. Naarmate de leeftijd vordert, neemt het wit toe; schimmels worden niet geboren, ze ontstaan mettertijd. De vosschimmel is wit met rode of bruinachtige vlekken. [JG 1a, 1b; N 8, 63a en 63b; S 31]
I-9
|
| 21440 |
schimpen |
kritiek uitoefenen:
kretiek oetoefene (Q039p Hoensbroek)
|
op onwaardige wijze kritiek uitspreken [schimpen, spijkeren] [N 85 (1981)]
III-3-1
|