| 18190 |
pronkveer op een hoed |
pluim:
plom (P188p Hoepertingen)
|
Pluim, pluimpje. [ZND 05 (1924)]
III-1-3
|
| 22310 |
proppenschieter |
klotstoet:
klotstoeət (P188p Hoepertingen)
|
Een klakkebus (cilindervormig kinderspeeltuig van uitgehold vlierout, waarmede een prop wordt weggeschoten). [ZND 08 (1925)]
III-3-2
|
| 20456 |
prostituée |
hoer:
hoer (P188p Hoepertingen)
|
prostituée, publieke vrouw [hoer, lichtvink, deerne, blaar] [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 19676 |
provisiekast, etenskast |
schap:
sxōͅp (P188p Hoepertingen),
spinde:
spɛjn (P188p Hoepertingen)
|
een schaprade, schapraai (etenskast) [ZND 06 (1924)] || spinde [ZND 07 (1924)]
III-2-1
|
| 18403 |
pruik |
pruik:
prik (P188p Hoepertingen)
|
Pruik. Kunstmatig vervaardigde haarbedekking, valse haardos [pruik, calotte, toupet] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 20911 |
pruim |
oogstpruim:
oͅsprōͅmə (P188p Hoepertingen),
pruim:
praum (P188p Hoepertingen)
|
[ZND 10 (1925)] [ZND 34 (1940)]
I-7
|
| 18926 |
prutsen |
frutselen:
frutselen (P188p Hoepertingen),
frətsələ (P188p Hoepertingen),
klommelen:
kloemmələ (P188p Hoepertingen)
|
Frutselen (met kleinigheden bezig zijn). [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 18930 |
prutswerk |
geknoei:
wa e geknoj (P188p Hoepertingen),
wa en geknoei (P188p Hoepertingen)
|
Wat een geknoei (slecht en slordig werk). [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 20311 |
puber |
jongen:
joenge (P188p Hoepertingen),
snotter:
voor een heel jonge
snotter (P188p Hoepertingen)
|
iemand van jeugdige leeftijd (jongere) [N 102 (1998)]
III-2-2
|
| 30687 |
puimsteen |
puimsteen:
pø̜jmstęj.n (P188p Hoepertingen)
|
Lichte poreuze gestolde lava met een sponsachtig uiterlijk voor het polijsten van houtwerk en het inschuren van natte grondverf. De 'Gotlandsteen' (Q 162) is een zeer fijnkorrelige zandsteen uit Gotland in Zweden, harder dan puimsteen, die voor fijn schuurwerk wordt gebruikt. [S 29; L 40, 80; N 67, 60c; Renders 1; monogr.]
II-9
|